90 jaar Kerknieuws

kerknieuws

In 2008 bestond het Kerknieuws 90 jaar. Een goede aanleiding om wat stukjes en uittreksels aan te halen die door verschillende predikanten werden gepubliceerd in de eerste tijd. Om te beginnen ds. Baart de la Faille, predikant van 1901-1928, toen twee maal per jaar ‘Stemmen uit de Nederlandsche gemeente te Londen’ verscheen met stichtelijke citaten en gedichten behalve de aankondiging van de kerkdiensten. Hij bleek een niet rijmend sonnet te hebben geschreven (zijn vrouw publiceerde een gedichtenbundel) voor het nummer januari-juli 1919 (dus geschreven net voor of net na de wapenstilstand van 11 november 1918). Ds. Baart de la Faille was een overtuigd pacifist.
Kees Knook

90 Kerknieuws 1 90 Kerknieuws 5 90 Kerknieuws 9
90 Kerknieuws 2 90 Kerknieuws 6 90 Kerknieuws 10
90 Kerknieuws 3 90 Kerknieuws 7 90 Kerknieuws 11
90 Kerknieuws 4 90 Kerknieuws 8 90 Kerknieuws 12

 

90 jaar Kerknieuws 1

Oorlogswee
O wereld van uw waanzin nauw bewust,
Verteerd door haat, verscheurd door rassenwrok,
Die wallen opwerpt tusschen mensch en mensch,
En wat bijeenhoort in verblinding scheidt –
Hoe kruisigt gij uzelf, hoe bloedt g’ uit eigen hart!
Weet gij dan niet in uw verbijstering,
Dat uit de wonden, die g’ uw broeder slaat,
Uw eigen leven leekt, uw eigen kracht?
Dat ’t giftig gas, dat ’s vijands borst beklemt,
Uw eigen ziel verstikt en kreunen doet?
Erkent gij niet, dat gij ondeelbaar zijt,
Eén lichaam, tempel van Gods heil’gen geest?
Eén werkstuk, één gedacht’ van ’s Vaders brein?
Eén glimlach van der Eeuw’gen aangezicht?

S. Baart de la Faille

Top

90 jaar Kerknieuws 2

Ds Van Dorp, predikant van 1929-1946 schreef in het laatste kwartaal van 1929 het volgende:
“Bij die verbouwing (van de buren) is ook iets aardigs aan den dag gekomen. Men heeft namelijk een dertig voet onder de Kerk een wel ontdekt. Nu vrees ik, dat de aannemer, die dag en nacht moet laten pompen om per minuut 70 emmers water weg te werken, het heelemaal niet zoo aardig vindt. Maàr uit historisch oogpunt is het toch zeer merkwaardig. Men heeft namelijk geconstateerd, dat de meeste kloosters en kerken steeds gebouwd werden in de buurt van een wel. Dit is opzichzelf niets vreemds en heel goed te verklaren: het was voor de monniken en priesters een eerste levensbehoefte. Eigenaardig is het echter, dat die wel zich soms bevindt juist onder het altaar van de Christelijke Kerk …. Welnu in onze Hollandsche Kerk hier in Londen ligt de wel ook precies onder de plaats waar het altaar gestaan heeft, toen het nog een kloosterkerk was.”
Dit was nieuws voor mij.

Een artikel in maart 1933 weerspiegelt de ernst van de crisistijd:
“Heerlijk dat er enkele lichtpunten zijn. Telkens ondervinden wij weer bewijzen van hulpvaardigheid en naastenliefde. Zoo hebben wij dezen winter zeer veel menschen moeten helpen met kleederen, schoeisel, enz., meer dan ooit te voren. Gelukkig echter, dat wij er toe in staat werden gesteld, want nog nimmer hebben wij zooveel en zulke goede kleedingstukken ontvangen, als juist in de afgeloopen maanden. Dat stemt tot dankbaarheid en ik wil dan ook niet nalaten aan alle goede gevers en geefsters de erkentelijkheid over te brengen van allen, die op deze manier door ons geholpen konden worden. Er is misschien geen zaak in de city die zoo floreert, als de gedragen-kleeren-afdeeling van de Hollandsche kerk. Wij kunnen voortdurend nieuwe toevoer gebruiken en wij zijn door onzen voorraad heen, voor wij het weten. U behoeft dus straks met den „schoonmaak” niet in verlegenheid te zitten, waar ge met de dingen naar toe moet. Voor uw oude kleedingstukken blijft de Hollandsche Kerk een goed adres. De Heer Rus zal gaarne voor ontvangst en verdeeling zorg dragen.”
Kees Knook

Top

90 jaar Kerknieuws 3

Tijdens een kort bezoek aan Nederland las ds. Van Dorp, predikant in Londen van 1929-1946, in kranten onder kerkelijk nieuws artikelen met opschriften als:
Nederlandsch Hervormde Predikantenvergadering, Vergadering van de Ethische Vereeniging, Vergadering van de Luthersche Predikanten, Vergadering der Doopsgezinde Societeit, Vergadering van de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden, Vergadering van Kerkopbouw, Vergadering van den Bond van Nederlandsche Predikanten, Moderne theologen vergadering enz.

Dit bracht hem tot het punt verdeeldheid, waarvoor hij een bijzonder sprekende verdediging geeft in mei 1932:
“De ‘verdeeldheid’ is een zegen. Want het is de prijs die betaald werd voor de vrijheid. Wie zich losmaakt van het gezag der Kerk, van Paus of Concilie, moet op eigen wieken drijven, moet zelf zoeken en streven. Dat brengt allerlei verschil van richting met zich mee. Als de school uitgaat joelen de kinderen door elkander. In het beginsel van het Protestantisme ligt het beginsel van afscheiding en verdeeling. Het is de levende boom die zich vertakt en vertwijgt in tegenstelling met de telegraafpaal die een eenheid vormt welke echter dood is. Dus al is het wel eens jammer en al worden de verschillen wel eens onnoodig opgeblazen, wij verkiezen de pluriformiteit van het Protestantisme toch verre boven de uniformiteit van het Katholicisme.”
Kees Knook

Top

90 jaar Kerknieuws 4

Hier volgt het volledige artikel dat ds. Van Dorp schreef na de verwoesting van de oude kerk en het genereuze aanbod van de Anglicaanse kerk van St Mary’s.
Kees Knook

Londen, December 1940.
„St. Mary’s”.
Dat is nu de naam van ons Nederlandsch Hervormd Kerkgebouw. „Austin Friars”, de kloosterkerk der Augustijner Broeders herinnerde ons aan Maarten Luther, den Augustijner Monnik. De Augustijners zijn altijd de woeligste kinderen der kerk geweest. Van „Austin Friars” in Londen vermeldt een oude kroniekschrijver, dat dit klooster een open deur had. Hij bedoelt hier niet alleen mede, dat het een toevluchtsoord was voor armen en zieken, maar dat het openstond voor „de wereld”, dat er binnen zijn muren plaats was voor Tyndale, den bijbelvertaler en voor Erasmus, den humanist, bovenal plaats voor de nieuwe denkbeelden die deze mannen voorstonden en propageerden. Als vluchtelingen-kerk nam Austin Friars – nu vier eeuwen geleden – de verdreven kinderen der reformatie op in haren schoot. In onze dagen bood zij gastvrijheid aan hen, die het vaderland hebben verlaten, omdat zij niet wenschen te leven onder Duitsche tirannie.
Nu is Austin Friars’ kerkgebouw verwoest. Maar de Augustijner geest, als wij althans onzen Protestantschen vrijheidsdrang een oogenblik zoo mogen noemen, leeft voort in onze harten en in onze gemeente. Ook al zal voorloopig ons kerkgebouw „St Mary’s” heeten. Het klinkt dengenen die reeds geruimen tijd in Engeland wonen misschien te „Anglikaansch” in de ooren, den onlangs tot ons overgekomen vluchtelingen wellicht te „Roomsch”. Toch zou ik dien naam niet kunnen en niet willen veranderen. Men brengt geen wijzigingen aan in het huis van zijn gastvrouw. Integendeel zal die naam ons blijven herinneren aan het feit, dat de Nederlanders in Engeland, voor de tweede maal in de historie, een schier ongekende en ontroerende gastvrijheid mochten ontvangen, een gastvrijheid aangeboden door een Kerk, die wel de onze niet is, maar die zich op allerchristelijkste wijze over ons ontfermd heeft in onzen nood. Maria’s Kerk. Die naam zal ons bovenal blijven herinneren aan haar, die al de woorden van blijdschap en droefheid, gesproken bij de geboorte van het goddelijk kind, bewaarde in haar hart, aan haar die „Het Woord” heeft gedragen in haren schoot. Mogen in de komende dagen en jaren de woorden van blijdschap en droefheid ons in deze kerk samenbinden en vertroosten, moge „Het Woord” de kiem zijn onzer overdenkingen, de kern onzer gemeenschap, de stuwkracht onzer daden.”

Top

90 jaar Kerknieuws 5

In juli 1950 beschrijft ds Van Apeldoorn, predikant van 1946-1961, naar aanleiding van het 400-jarig bestaan de formule waarmee Koning Edward VI herdacht wordt:

Als straks onze Gemeente haar vierhonderdjarig bestaan viert, willen wij denken aan al diegenen, die dit vierde eeuwfeest mogelijk hebben gemaakt.
Onze gedachten zullen uitgaan naar Eduard VI, van 1547 tot 1553 koning van Engeland, die op de 24ste Juli van het jaar 1550 het Charter zegelde, waarbij aan de vluchtelingen uit de Lage Landen Austin Friars geschonken werd als het bedehuis waar zij in hun eigen taal en onder hun eigen kerkorde hunne godsdienstoefeningen mochten verrichten. Zijn nagedachtenis worde door ons bewaard
„in pious memory”.*

* Met deze woorden wordt door ons oudste kerkeraadslid aan de gezamenlijke maaltijd na elke vergadering de toast aan Eduard VI gebracht.
Tegenwoordig gebeurt dit bij elke feestelijke gebeurtenis waarbij de gemeente betrokken is.
Kees Knook

Top

90 jaar Kerknieuws 6

In een terugblik op de plechtigheid van de eerste steenlegging door prinses Irene in juli 1950 schrijft ds. Van Apeldoorn in september:

U moogt het nu wel weten, dat we de laatste maanden iedere week minstens eenmaal een vergadering hadden, vaak tot na middernacht. Wij hebben getracht alles zo goed mogelijk te regelen, maar wat we niet konden regelen, dat was het weer op Zondag, 23 Juli. Ik geloof niet, dat ik ooit dat moment zal vergeten, toen aan het begin van de dienst, waarin Prinses Irene de eerste steen zou leggen, de zon doorbrak, en even later bij het leggen van de eerste steen waren het haar kordate slagen die mij als even zovele goede tekenen voor de toekomst onzer gemeente in de oren klonken. De houten hamer, die door onze architect, Mr. Bailey, aan de Kerkeraad is aangeboden, draagt daar nog de duidelijke sporen van. Ik kan U natuurlijk niet alles weergeven, wat ons aan gelukwensen is toegevoegd. Ik zou twee uitzonderingen willen maken: de Synode der Nederlandse Hervormde Kerk bood ons een gelukwens aan in een prachtige oorkonde …..
Hierin wordt onze kerk de Moederkerk genoemd van de reformatorische kerken in de Lage Landen.
Kees Knook

Top

90 jaar Kerknieuws 7

Hierboven staat „Openingsperikelen”. Ik zie er namelijk van komen, dat ik grote moeilijkheden krijg met de toewijzing van het aantal plaatsen. Laten we maar eens gaan rekenen. Bij de eerste steenlegging in 1950 waren ongeveer 1200 Nederlanders aanwezig. Dat kon, omdat de dienst in de open lucht gehouden werd. Zo nodig hadden er nog meer bijgekund. Graag zou ik dit aantal elke Zondag plaats bieden in de kerk, maar helaas is dat niet nodig. De diensten in St. Mary’s worden bezocht door 100 à 120 personen. Bij bijzondere diensten ligt dat aantal wat hoger, maar boven de 250 komen we maar zelden. Bij de bouw van de nieuwe kerk hebben we ons, wat vaste zitplaatsen betreft, laten leiden door het gemiddelde Zondagsbezoek. Mischien zijn we daarbij nog wel wat optimistisch geweest, want de banken bieden plaats aan ongeveer 200 kerkgangers. Voor de openingsdienst kunnen we het aantal zitplaatsen uitbreiden tot 350. Nu begrijpt U al wel waarom ik van perikelen spreek. Vermoedelijk 1200 belangstellenden, en 350 zitplaatsen. Dit betekent, dat ik velen zal moeten teleurstellen, en dat spijt me. Ik wilde heus graag, dat we geregeld op over de 1000 kerkgangers konden rekenen. Beziet U het daarom zo, dat, waar ik iedere Zondag me teleurgesteld moet voelen, als ik aan al die Nederlanders denk, die hadden kunnen komen, het ditmaal voor één keer Uw beurt is om teleurgesteld te zijn. We moeten dus een selectie toepassen, en dan zal iedereen het met ons eens zijn, dat in de eerste plaats zij in aanmerking komen voor een toegangskaart voor de openingsdienst, die door hun geregelde aanwezigheid bij de diensten blijk gegeven hebben tot de gemeente te behoren. Nu hebben wij als Kerkeraad geen stricte contrôle uitgeoefend, hoe vaak de verschillende gemeenteleden de kerk bezoeken, elke Zondag, eens in de veertien dagen, eenmaal in de maand. Hadden we het maar gedaan, dan had ik het nu vrij eenvoudig, en hoefde alleen maar op de lijst aan te tikken, wie in aanmerking komt. Zo’n soort politiedienst past echter niet bij een kerk, en daarom zullen we dat ook maar niet gaan proberen. Ik laat het liever aan U over, te beslissen, of U denkt tot onze gemeente te behoren of niet. Om U te helpen wil ik U de volgende maatstaf geven. U hoort erbij, als U ongeveer een keer of zes, maar dat mag dan ook heus wel, per jaar de kerkdiensten bijwoont. Als U hierover met uzelf tot klaarheid bent gekomen, kunt U een verzoek indienen om een toegangskaart. Iedereen moet schriftelijk zijn kaart aanvragen. De trouwe kerkgangers, zowel als de minder getrouwe. De beste plaatsen gaan naar de eerste groep, dat zal iedereen kunnen begrijpen. We moeten natuurlijk een aantal plaatsen reserveren voor officiële genodigden, doch dat zijn er niet zoveel, dat er niet genoeg voor de gemeente zouden overblijven.
En dan de overigen. Zij die er niet in kunnen? Het beste wat we doen kunnen, is hun een staanplaats aan te bieden buiten Austin Friars. Zij zullen daar de aankomst kunnen zien van onze hoge gasten, doch waar ze, naar ik hoop, behalve daarin ook nog geïnteresseerd zullen zijn in de dienst zelf, die kunnen beluisteren door de luidsprekers, die aan de kerk zullen worden aangebracht. Eén ding scheelt, 11 Juli is midden zomer, het kon dus best mooi weer zijn.
Kees Knook

Top

90 jaar Kerknieuws 8

De afspraak was, dat de Heer Vreede, als oudste Trustee, en ik de koningin om 5 vóór elf zouden opwachten bij de deur, haar met prinses Christine samen met de ambassadeur en zijn vrouw naar de “officiële” bank zouden brengen en dat dan de dienst normaal zou verlopen. Zij zou het gastenboek tekenen in mijn kamer, maar of zij mee zou gaan naar beneden om een kopje koffie te drinken, wist de heer van Royen niet te zeggen.De gemeente wist van niets. Misschien zijn er enkele telefoontjes geweest, maar in ieder geval was de kerk stampvol. Dit is geen uitzondering op de eerste Zondag van de maand, omdat er dan beneden Zondagsschool is. Maar het was een mooi gezicht.
Vreede en ik stonden op tijd bij de deur. Er waren veel auto’s in de nauwe straat die overal stonden en de koster had volop werk om plaats te houden voor de koninklijke auto. Het was 5 minuten voor, het werd elf uur, maar geen koningin en prinses. De perschef van de ambassade, de Heer Wijnen stond ook al te kijken en zei: “Ik begrijp er niets van.” Eindelijk om 10 minuten over 11 draaide de auto voor.
H.M. zat met de ambassadeursvrouw achterin, de prinses met de ambassadeur voorin. Naast de chauffeur een detective van Scotland Yard. De prinses sprong er het eerst uit, de ambassadeur hielp H.M., die meteen naar mij toekwam met de woorden: “Duizend excuses, dominee, dat we zo laat zijn. Het spijt me.” Ik zei: “Majesteit, we hebben natuurlijk op U gewacht. Hartelijk welkom in onze kerk.”
Toen gingen we naar binnen. Ik links van H.M. voorop en daarachter de Heer Vreede met de prinses. Je had de gezichten van de mensen moeten zien. Het was al wat uitgedruppeld, waarom we zo laat waren, maar toen we binnenkwamen, ging men, toen men zag, wie het was spontaan maar zwijgend staan.
De dienst ging normaal. Ik was bezig met een serie preken over de tien geboden, en was net toe aan “Gij zult niet stelen”, maar had dat maar losgelaten, ook al omdat het de Zaterdag daarvoor net Lutherdag was geweest. Ik heb gepreekt over Galaten 5 vers 1 en de mondigheid van iedere gelovige op de voorgrond gesteld, in wat voor kerkgenootschap men ook was.
Na afloop van de dienst vroeg ik H.M. of zij even met mij mee wilde gaan naar mijn kamer om het boek te tekenen: “Natuurlijk dominee,” zei ze, “maar ik wil toch ook het kopje koffie, waarover U hebt gesproken met de mededelingen.” (Ik heb n.l. voor gewoonte om te zeggen, dat we allemaal naar beneden toegaan voor een ogenblik ongedwongen samenzijn en een kopje koffie.) Het voordeel was, dat ieder gemeentelid nu normaal naar beneden kon gaan, omdat de koningin daar ook kwam.
“Dominee, hartelijk dank voor uw mooie dienst. Ik had deze net nodig” zei zij voor dat …… [onleesbaar] mondig en uw uitwerking daarvan hebben mij zeer getroffen.” “Ja” zei de prinses. “Het leuke is, dat ik in September in een bijbeluitleg van de N.C.S.V. (Nederlandse Christen-Studenten Vereniging) over deze tekst, deze zelfde gedachte tegenkwam.” Ik kon eerlijk zeggen, dat ik deze uitleg niet had gelezen, maar dat deze van Bonhoeffer is en hij deze al 30 jaar geleden had uitgesproken. Dat imponeerde onze zeventienjarige toch blijkbaar wel, want ze vroeg meteen: “Bent u al zólang dominee?”
Het boek wordt officieel getekend met een veren pen. Maar toen de koningin zag, dat deze gespetterd had bij de ondertekening van haar moeder, jaren geleden, wilde zij liever een vulpen gebruiken. Ook Christine, van Royen en zijn vrouw tekenden en na een kort gesprek gingen we op reis naar beneden.
Ik had zo stilweg afgesproken met de kerkeraad en hun dames, dat zij zouden op een rij gaan staan vlak bij mijn kamer. Ik heb hen even voorgesteld. Het was enig om de gezichten te zien en bij sommigen de spanning. Ook Jo [mevrouw Tuininga] werd natuurlijk voorgesteld. De ambassadeur van Zuid Afrika, die regelmatig onze kerk bezoekt, was er ook. Ik heb hem ook voorgesteld, wat hij machtig vond “baaie lekker”.
Beneden gingen allen even staan toen de stoet binnenkwam, maar verder ging alles gewoon door.
Ik bracht H.M. naar de kerkeraadstafel in het midden van de zaal. Daar staat een bordje op: Kerkeraad. Toen Zij het las, zei ze: “Mag ik aan deze tafel zitten, ik ben niet eens lid van de kerkeraad?”
Jo is altijd gastvrouw aan deze tafel. Ik kwam bij de koningin te zitten, die mij van alles vroeg over de gemeente en mijn werk. Ondertussen haalde ze een pakje Lucky Strike uit haar tas en bood mij een aan. Ik had mijn toga nog aan, zodat ik geen cigaretten had. Ook de prinses stak een op. “Ik mag roken van moeder, want ik inhaleer niet.” Ik bedankte voor de cigaret en zei, dat ik altijd pijp rookte, waarop H.M. zei: “Dan bent u net als mijn man.”
Jo had een heel gesprek met de prinses. Christine ziet heel slecht, kan alleen recht vooruit kijken, maar doet aan alles mee, en maakt een zeer intelligente indruk. Ze babbelde met Jo over school, haar eindexamen, dat ze volgend jaar moet doen. “Ja,” zei de koningin, er tussen door, “daardoor konden we dit jaar nog even er tussen uit.” Ds. Ley werd ook nog voorgesteld en daarna zat Jo een hele lange tijd naast haar. Het was inderdaad of er twee zusjes zaten. Alleen ziet onze Johanna er stukken beter en daardoor jonger uit.
Het was een volkomen ongedwongen en gezellige bijeenkomst. Het leuke was, dat ieder net als anders deed. Ik kreeg de indruk, dat de koningin het heerlijk vond, wat de ambassadeur mij later ook bevestigde. Boven had ze voor we naar beneden gingen nog de kerk gezien, het nieuwe kleed, de plaats waar het herdenkingsraam zal komen, en toen we voor het grote raam stonden, waar de afbeelding van Irene op staat en ik zei, dat wij er een grote prijs op stelden, dat wij haar afbeelding in onze kerk hadden, zei de Koningin: “Het loopt soms anders dan wij als ouders denken, dominee.” We gingen daar nog even, zo samen voor het raam staande op in en ik praatte nog even door omdat ik merkte, dat ze het te kwaad kreeg. Zo had ze rustig de tijd om weer als “koningin” te zijn voor dat we naar beneden gingen.
Het gezelschap is ongeveer een twintig minuten beneden gebleven. Bij het weggaan babbelde zij dan even met die, dan met een ander en net toen we het trapje opgingen om naar buiten te gaan riep iemand “Leve de Koningin”. Het antwoord van allen deed de Social Hall daveren. Het was enig leuk. Zij heeft het ook blijkbaar gevoeld want ze heeft de belofte gedaan om volgend jaar, indien mogelijk, het raam te onthullen. In het engels is een uitdrukking voor een prachtige dag: a day of the Queen. Dit gold voor zondag 1 November wel in het bizonder voor ons allen.

Top

90 jaar Kerknieuws 9

Ds. Tuininga, predikant van Austin Friars van 1962 tot 1973, had in het Kerknieuws een rubriek: Even een babbeltje. Een typisch voorbeeld hiervan verscheen in juni 1963. Kees Knook

Plotseling stond hij voor mij. Een grote forse vent.

„Kent U me nog dominé?”

Dat is altijd een gevaarlijke vraag, want in de 29 jaar, dat ik nu predikant ben, heb ik heel wat mensen meegemaakt. Eerlijk gezegd: Ik kende hem niet, maar in mijn achterhoofd begon een lampje te branden. Ik zei dus: „Echt kennen doe ik je niet meer, maar ergens komt bij mij boven een ziekenhuis in Arnhem. Is dat waar?”
Het was waar!!!…
Onze Lieve Heer heeft ons toch maar knap gemaakt, dat tijd wegvalt door associaties. Toen hij begon te vertellen werd alles weer bewust.
Het was in de Meidagen van 1940. De vijand had Arnhem al bezet, maar er werd nog zwaar om de Grebbeberg gevochten. De gewonden kwamen in Arnhem terecht, en samen met een andere collega besloten we om te proberen toegang tot de ziekenhuizen te krijgen. Na wat praten bij het duitse commando lukte het om een Ausweis te veroveren en we gingen aan het werk. Van kamer naar kamer en zaal naar zaal. Hij begon aan de ene kant, ik aan de andere kant en ergens kwamen we elkaar tegen.
Het was naar werk, maar naar ons gevoel noodzakelijk. In de ene zaal lagen de Duitsers, in een volgende de gewonde Nederlanders. Hoewel ik buiten in mijn autootje opstandig rondreed bij het zien van de horden, die over ons Nederland waren gekomen, in het ziekenhuis viel dit van je. Een gewond mens, die staat tegenover de dood, is een gewond „mens” en niet in de eerste plaats een bewoner van een staat.
Toch waren uiteraard de nederlanders je nader. Een van de gewonden was de man, die zo plotseling voor me stond. Hem was zijn been afgeschoten en hij zat daar erg over in. Niet om zijn baan, want die kon hij „zonder poot” zoals hij het uitdrukte, nog wel doen, maar om zijn vrouw. “Zij vindt ons altijd zo’n mooi stel” zei hij. En nu moest hij haar komst afwachten met één been.
Die komst duurde nog wel even, omdat de berichten, dus ook de brieven maar langzaam doorkwamen. Daardoor hadden we nog al gelegenheid om met elkaar te praten.
„Weet u nog, wat U toen eens tegen me zei?”
„Echt niet meer.”
„U zei: als de liefde van je vrouw, hoe beroerd ze het ook zal vinden, in je been zit, is het niet best. Stel je nu eens voor, dat de rollen omgekeerd waren, wat zou jij dan doen? Ik heb daar ’s nachts over na liggen piekeren en toen ze kwam wist ik, dat we er samen overheen zouden komen. ”
„Is dat gebeurd?”
„Nou en of! We zijn door die poot, echt meer naar elkaar toegegroeid. Weet je dominee, ik was je zo dankbaar, dat je op dat moment niet over God en berusting sprak, dat je geen hoge woorden gebruikte, maar me doodeenvoudig op mezelf teruggooide. Daarom vind ik het zo leuk U nog eens te ontmoeten.”
We hebben nog een tijd zitten te praten over toen en nu. Hij bleek een trouw kerkganger te zijn, maar „als die collega’s van U me te dierbaar worden kan ik niet meer luisteren. Dan zit die poot me in de weg.”
In de auto dacht ik: „Gods wegen zijn toch wel wonderbaar. Zonder Hem te noemen worden ze aan ons duidelijk.”

Top

90 jaar Kerknieuws 10

In oktober 1967 schreef ds. Tuininga twee artikelen; één over de overhandiging van de doopvont (ik hoop dat u het Zuid-Afrikaans kunt volgen) en het andere over iets wat u ziet voordat u de kerk binnenkomt.
Kees Knook

Overhandiging van het doopvont
De bezoekers van de kerk voor de dienst op zondag 10 september merkten al terstond voor zover zij het nog niet wisten dat er iets bijzonders aan de hand was. Dicht bij de ingang stonden rechts en links twee vlaggestokken, aan de ene de Nederlandse vlag en aan de tweede de vlag van de Republiek van Zuid-Afrika. En rechts van de avondmaalstakel was een verhevenheid zichtbaar bedekt met een witte doek. Ds. Tuininga en enkele Kerkeraadsleden stonden bij de deur in afwachting van de komst van de officiële gasten. Ongeveer 5 minuten voor elf arriveerden Baron en Barones van Lynden die de Nederlandse Ambassade vertegenwoordigden, terwijl tegen elf uur Dr. Luttig Ambassadeur van Zuid-Afrika met zijn familie bij de kerk aankwam. Het eerste gedeelte van de dienst had geen bijzonder karakter. De preek had als tekst „Laat de Kinderen tot Mij komen” en de liederen waren zo gekozen dat zij zowel in het Nederlands als het Zuid-Afrikaans konden worden gezongen. Na het orgelspel kwam Ds. Tuininga van de preekstoel naar beneden waarna hij Dr. Luttig uitnodigde om achter de lezenaar te gaan staan. Dr. Luttig hield de volgende toespraak:

Ds. Tuininga, Kerkraad van die Nederlandse Kerk Austin Friars, Baron en Barones van Lynden, dames en here.
Tydens sy bezoek aan Londen in 1961 is Suid Afrika se destydse Eerste Minister wyle dr. H. F. Verwoerd, so getref deur die waarde en betekenis van die Austin Friars Kerk vir Suid Afrikaanse besoekers en ingesetenes van London, dat hy ondersoek laat instel het na wat die Suid-Afrikaanse Regering sou kon doen om uitdrukking te gee aan sy dankbaarheid vir die gastvryheid wat die Suid-Afrikaners so mildelik op hier die wyse geniet.
Dit is toe besluit dat ’n getroue replika van die doopvont van die Groote Kerk in Kaapstad uitgevoer sou word als ’n geskenk aan die Nederlandse Kerk te Austin Friars. Dit is veral paslik geag dat die keuse op die doopvont van hierdie kerk geval het aangesien dit nie alleen die eerste permanente Hollandse Kerk, maar selfs ook die eerste permanente Christenkerk was wat die nedersetting aan die Kaap die Goeie Hoop gehad het. Die kerk is gebou in die tyd van Goewerneur Willem Adriaan van der Stel en is in 1704 in gebruik geneem.
Die doopvont self is in 1752 in gebruik geneem en is vervaardig deur ’n Kaapse silwersmid Johan Hasse van wie dit, sover bekend is, die enigste werk is wat behouve gebly het.

Dit is dus nou vir my ’n groot eer om namens die Regering van die Republiek van Suid-Afrika aan die predikant, aan die Kerkraad en aan die gemeente van hierdie kerk hierdie doopvont te oorhandig in die vertroue dat die seeën van die Almagtige op die gebruik daarvan altyd sal rus.
Toen kwam het grote ogenblik. Onder het spelen van het orgel nam Dr. Luttig het witte kleed weg en daar stond het nieuwe doopvont. Een koperen, prachtig bewerkte barokke onderbouw met daar boven op het eigenlijke zilveren doopbekken. Een geheel dat in onze vrij strak gebouwde kerk uitstekend past.

Ds. Tuininga nam daarna het woord om uiteen te zetten hoe sinds vele jaren er contacten zijn geweest tussen de Zuid-Afrikanen en de Nederlandse Kerk van London. Hij eindigde met de officiële aanvaarding, namens de Kerkeraad der Gemeente van het doopvont waarbij hij de grote erkentelijkheid en dank voor dit kostbare geschenk uitsprak. Het plechtige gedeelte van de overdracht werd besloten met het samen zingen van een lied waarna de dienst op gewone wijze eindigde. Het was een treffend gebeuren dat een grote indruk maakte op de aanwezigen door zijn diepte en eenvoud.
Een nieuwe „oude” aanwinst
De kerkgangers zullen hebben opgemerkt dat op de hoek bij de hoofdingang iets nieuws is gekomen, en mischien zullen zij zich hebben afgevraagd wat dit uit steen gehouwen voorwerp wel kan zijn. Welnu, het is het voetstuk van een der kolommen die het dak van de oude kerk droegen. Toevallig kwamen wij er achter waar deze zuilenrest zich bevond, en de Kerkeraad meende dat deze herinnering aan het oude kerkgebouw zeker een goede plaats verdiende bij onze tegenwoordige kerk. De voet is nog van 1253 en dus meer dan 700 jaar oud.

Top

90 jaar Kerknieuws 11

In de rubriek ‘Even een babbeltje’ schreef ds. J.E. Tuininga over gewone gebeurtenissen. Dit is er één van uit 1962.
Kees Knook

Even een Babbeltje
Er is enkele jaren geleden in Nederland een boekje uitgekomen met de titel: „Rijdt u ook zo auto?” Allerlei verhalen en gegevens worden er op een kostelijke wijze in verwerkt en ik heb er indertijd van genoten.
Hier in Londen denk ik er nog wel eens aan. Wanneer je – zoals ik – regelmatig op de weg bent, ontmoet je rijders waarvan ik in het begin zei: „Zo wil ik niet auto rijden.” Ze drukken je van je „lane”, kruipen tussen de auto’s door en verschijnen plotseling voor je neus, snijden je af en hebben dan nog de brutaliteit om je vriendelijk toe te lachen.
Mischien moest ik nog aan het Londense verkeer wennen. Ik kwam in een vreemde auto met rechts stuur, moest links houden, zodat al mijn ervaring die ik gedurende 30 jaar had opgedaan in het geweer werd geroepen.
Nu, na een kleine drie maanden, is dat wel veranderd. Ik voel mij een der velen en gelijk aan wie dan ook in het verkeer, al hoop ik, dat het hoffelijke, dat bij al het gerij overweegt, ook bij mij zal blijven.
Ik moest wel wat wennen aan al die arm signalen, maar daar zit toch ook wel iets amusants in, al ben ik heus van plan om het van ’t winter zo veel mogelijk met de lichten te doen.

Daar zat ik op een morgen over te denken en was eigenlijk een beetje trots op mijzelf, dat ik na drie maanden het er zonder schram of politie-waarschuwing had afgebracht. De trotsen komen er echter in de bijbel niet best af, en dat moest ik zeker bewustworden, want ’s middags gebeurde het. Ik was niet vroeg en zat met iemand in de auto te praten. Alle lichten waren tegen en het was te merken, dat het piekuur weer begonnen was. Daar kreeg ik echter op het Embankment de kans en ik reed – nee lezer, niet te hard! – maar laat ik zeggen snel!
Bij mijn beste weten deed ik geen kwaad maar toen naast mij een politie motor verscheen en de berijder met olijk, doch ook wel streng gezicht mij naar de stoep wenkte, wist ik, dat er iets mis was. Ik had de snelheids-meter te hoog gehad. Het mocht maar 30 mile zijn en het was ruim 40 geweest. Toen de man mijn Nederlands rijbewijs zag, zei hij vergoelijkend: „Then you don’t know the Highway Code exactly of course. I’ll tell you!”
Hij legde mij uit – wat ik al wist – ik heb echter maar geluisterd, en toen hij klaar was, moest ik beloven „het niet meer te doen!” Hij eindigde echter: „but if you do, mind there’s no policeman behind you!”

We hebben om dit laatste zitten schateren tot huis toe. Eigenlijk niet goed voor mijn „trotse dankbaarheid!” Ik zal het niet meer doen, maar, if ……..”
Morgen laat ik een extra spiegeltje op de auto zetten! …..

Top

90 jaar Kerknieuws 12

Ds. Tuininga schreef veel gedichten waarvan er verscheidene in Kerknieuws werden gepubliceerd. Ik heb er drie uitgeselecteerd. Het eerste, getiteld ‘Gedachten’, werd in het vorige nummer van Kerknieuws gepubliceerd. De twee andere volgen hieronder.

Advent 1973

Het schip ligt klaar om weg te varen
een nieuwe haven tegemoet.
Vaarwel! Sta niet bedroefd te staren,
God weet waarom het wezen moet.
Er is maar één koers in het leven,
die ieder wordt gevraagd te gaan.
De bakens ons door God gegeven,
zij wijzen steeds de „toekomst” aan.
Vaar wel! Wij weten in gedachten,
dat liefd’ en vriendschap ons verbindt.
Wij zullen in dank de dag verwachten
dat ieder weer de ander vindt.
Elk schip ligt klaar om weg te varen
Een nieuwe haven tegemoet.
Vaar wel! Sta niet bedroefd te staren,
God weet waarom het trekken moet.

Dit is het laatste gedicht van ds. Tuininga

Nu ben ik na de val
plat op een bed geslagen
mijn dijbeen stuk. Ik zal
de pijn, Heer, moeten dragen.
Waarom dit is geschied
komt bij een mens naar boven.
Uw antwoord hoort hij niet
maar niets kan Uw Licht doven.
Dat schijnt ook nu op dingen,
op handen en in ogen.
Het doet de wereld zingen,
het klinkt zo opgetogen.
De mensen zijn welwillend
en lief, vol openheid …
of zie ik ze verschillend?
Hebt U mijn blik bevrijd?
Ik weet het niet, maar vraag
in ootmoed: „Laat dit blijven”.
Wil mij ook na vandaag
Door Uw Geest verder drijven.

J.E. Tuininga, Scheper ziekenhuis, Pinkster 1980

Dit lijkt mij een goed moment om met deze serie te stoppen. Later kan dat weer voortgezet worden met de predikanten na ds. Tuininga.
Kees Knook

Top

Dutch Church in London

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten