In de tijd van Advent en Kerst speelt Johannes de Doper een belangrijke rol. Hij is de voorloper die het verschijnen van de messiaanse mensenzoon aankondigt. Maar ook degene die hem tussen de mensenmassa bij de Jordaan opmerkt. Tot zijn verbijstering wil Jezus dan ook nog door hem gedoopt worden. Telkens weer is die Johannes de Doper een intrigerende figuur. Door de evangelist Lukas wordt hij getekend als een bloedverwant van Jezus die een half jaar eerder werd geboren. Het verhaal over die geboorte is net zo onwaarschijnlijk als dat over Jezus. Beiden zijn zij zoiets als een godsonmogelijk wonder. Dat roept uiteraard de vraag op waarom de evangelisten dan toch geschreven hebben, zoals zij dat deden. We mogen er immers vanuit gaan dat zij niet naïever waren dan wij. De evangelist Marcus, wiens evangelie dit jaar op het leesrooster van de katholieke, anglicaanse en protestantse kerken staat, kan ons daarbij helpen. Hij verbindt in zijn ‘aanhef van de tijding van vreugde van Jezus, de Messias’(Marcus 1,1) Johannes de Doper met de profeten Jesaja en Elia. Profeten, voor ons vaak enigszins wereldvreemde lieden, die vooral uitblinken in het najagen van onmogelijkheden. In de boeken van de heilige Schrift van Israël vervullen zij echter een cruciale rol. Na de Tora, de ‘vijf boeken van Mozes’, die verhalen van de roeping van Israël om met vallen en opstaan onder Gods hemel op weg te gaan naar een hemel op aarde, zijn het de profeten die Israël bij de les houden. Profeten maken die verhalen van de Tora actueel in de werkelijkheid van alledag. Zij houden ons een spiegel voor om duidelijk te maken waar het in de kern ook alweer om gaat. Zij zijn ‘change agents’, zoals de Wereldraad van Kerken haar programma voor de rol van de kerken in de samenleving ooit benoemde. Mensen met oog voor de onmogelijke mogelijkheden. Mensen die zicht hebben op wat verder reikt dan onze horizon, mensen die een taal spreken die dieper raakt dan onze eendimensionale prietpraat en kortlopende doelstellingen. Johannes de Doper is zo’n profeet die door zijn verworteling in de oude woorden en zijn heldere kijk op wie en wat wij ten diepste verwachten een beelddrager is geworden voor de kerk. Die er weet van heeft dat iedere tijd opnieuw Jezus temidden van onze wereld ‘ontdekt’ moet worden, opnieuw geboren moet worden. Om dan vervolgens ook aan te geven dat de enige weg die ons open staat, de weg van de solidariteit is. De solidariteit van Jezus, die naar zijn eigen overtuiging alleen in vrede en tot vrede kon functioneren, als hij de weg van de onderdoorgang door het water van de doop ook zelf zou ondergaan. Solidariteit als ultieme bevrijding. Allemaal moeten we door dat water heen, zoals Willem Barnard in een van onze doopliederen het doopwater met het vruchtwater van de moederschoot vergelijkt: ‘Het water van de grote vloed, / en van de zee zo rood als bloed / dat is de aardse moederschoot, / dat is de diepte van de dood.’(Gezang 337)