K.H. Miskotte

In deze rubriek bespreek ik steeds een boek(je) uit mijn boekenkast: theologie, en bij voorkeur een Nederlandse theoloog. Steeds een andere letter en steeds een ander thema. Deze keer is de letter ‘M’ aan de beurt. Ik kan en wil ook niet om Miskotte heen, ook al moet ik eerlijk toegeven dat ik zijn werk niet erg toegankelijk vind.

Het bestuderen van  “Het Waagstuk der Prediking” van Miskotte was een verplicht onderdeel van de Kerkelijke opleiding in Leiden.  Ik bewaar er geen goede herinneringen aan. Het kwam mij allemaal nogal massief over. Later ben ik via een collega op K H Miskottehet spoor gekomen  van “...als een die dient”, de volledige uitgave van het ‘gemeenteblaadje Cortgene’ van Miskotte. Het boekje bevat de tekst van verschenen nummers in de jaargangen, van 27 oktober 1923 tot en met 4 april 1925. Als het eerste nummer verschijnt is Miskotte al ruim twee jaar predikant in zijn eerste gemeente. Hij begint dit gemeenteblaadje om de mensen tot elkaar te brengen. “Wij moeten niet naar de naam, maar naar de daad een gemeente worden; mensen, die samenleven, in het gewone en in het buitengewone, in het dagelijkse leven en in de aanbidding Gods.”

Miskotte bleef 4 jaar in zijn eerste gemeente. Als ik de artikelen in het gemeenteblaadje lees dan raakt mij zijn kwetsbaarheid. Hij heeft het moeilijk gehad in deze plattelandsgemeente. In het laatste blaadje, onder het kopje “Afscheid”, schrijft hij:  “Ja, ‘k had nog zo graag heel, heel veel willen doen, want waarlijk ik heb u lief gehad met een herdershart. Echter lang niet genoeg. En  daarom ging het tenslotte niet. Afgezien van enkelingen, meerderen dan wij weleens meenden, was toch de verhouding van de gemeente tot mij, die van een ongelukkig huwelijk, waarin men  moeilijk vragen kan wie ‘de schuld’ heeft, waarin beiden hij en zij, ‘niet kwaad’ zijn, alleen ze ‘passen’ toch eigenlijk niet bij elkaar.” (347).

Uit de vele mooie en kritische stukjes in dit boek kies ik voor een artikel dat Miskotte schreef over  huisbezoek.

ds. Juup van Werkhoven-Romeijn

Huisbezoek

In negen van de tien gevallen is het huisbezoek onbevredigend, vaak zelfs geheel onvruchtbaar. Er wordt dan wel gezellig gepraat, er vallen een paar opmerkingen over kerkgaan en doop b.v., over het krantje; maar daarvoor komt de dominee niet. Hij wil u de gelegenheid geven persoonlijk uw vragen te uiten, hij wil met u spreken over de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan. En daar komt - behoudens enkele uitzonderingen -weinig van. Dat wil zeggen: er wordt wel van gerept, maar het is geen gesprek meer, want voor een gesprek zijn twee sprekers nodig, die ieder het hunne uit de schat huns harten voortbrengen. Meestal gaat het zo, dat de dominee spreekt, meer en meer merkt dat de ander hem laat spreken en geheel verzinkt in een lijdelijk luisteren, afgewisseld door 'ja' of 'neen', of "t moest wel zo wezen' en 'dat kan wel zo zijn'. Zo wordt het dus een klein, particulier preekje bij een kopje koffie. Maar dat is de bedoeling niet.

Toch is 't min of meer te begrijpen, dat het zo werd. Immers de dominee voelt z'n taak als te gewichtig om zo maar met de deur in huis te vallen. Hij tracht eerst een weinig atmosfeer te maken om ongedwongen tot een dieper gesprek te komen, straks. Maar dan sluiten zich de mensen ondertussen, ze nemen zich voor niets meer te zeggen dan strikt nodig is. Daarin is soms een zekere kiesheid die ik ten zeerste waardeer. Er is een maar al te begrijpelijke moeilijkheid, zo maar, ineens, uit z'n dagelijkse leven, omdat de dominee nu komt, over het geestelijke te spreken. Het is goed als men niet maar op stel en sprong, op klokslag, over zijn ziel spreken kan. Het is zelfs goed dat men het soms niet wil, want eerbied voor elkaars geheim-met-God, eerbied voor des anderen verborgen strijd is iedere herder geboden. Met dit al, blijft er iets onbevredigends in zulk een bezoek. Zeker, het is prettig over onze zorgen en onze plannen met de dominee te kunnen spreken, vooral ook over onze kinderen. Een enkel maal wordt een bezoek ook waarlijk wel eens een echt gesprek van hart tot hart. En dan zijn er twee blij, omdat ze elkaar nabij kwamen. Dat is een innig geluk.

Maar geen bezoek, geen gesprek gaat zo diep, als het bezoek dat ik u elke zaterdagavond breng, als het gesprek dat ik dan telkens met u houd. Dat is voor mij een verkwikkende gedachte dat ik in bijna alle huizen van ons dorp op bezoek kom, elke week weer en dat ik dan 'met de deur in huis vallen' mag en zonder aanloopje, zonder omwegen met u spreken kan over hetgeen mij het meest ter harte gaat en wat u, als het er op aankomt, ook het meest ter harte gaat. Weet ge, dat vind ik mede het heerlijke van dit werk; ik denk onder 't schrijven aan deze en gene, vele gezichten, vele levens komen mij voor de geest; ik bid dat 'k voor ieder op z'n tijd een goed woord zal hebben. Maar, nietwaar? dan moet gij bij het lezen daar ook op rekenen. Ge moet het woord voor woord lezen alsof het aan u alleen, aan u persoonlijk geadresseerd is, dan vindt ge vast en zeker, vroeg of laat iets dat waarlijk heel biezonder op u en op uw toestand slaat. Dan hebt ge ‘s zaterdagsavonds niet alleen een blaadje in huis, maar het woord van uw leraar, en wat meer is: de zegen van de opperste Herder der zielen. Komt Die op huisbezoek - wat wilt ge meer? Zou dat dan niet zijn: 'Gij o, Heer, hebt mij gekend, Gij hebt mij bij mijn naam geroepen?'


Carel ter Linden

Het begon met een stukje over de theoloog Arminius. Maar wie A zegt... In deze rubriek bespreek ik steeds een boek(je) uit mijn boekenkast: theologie, en bij voorkeur een Nederlandse theoloog. Steeds een andere letter (ik hoop het alfabet vol te krijgen) en steeds een ander thema. Deze keer is de letter ‘L’ aan de beurt. Ik kies voor de theoloog Carel ter Linden, in Nederland o.m. bekend als predikant bij koninklijke huwelijken, in London omdat hij gastpredikant is.

Van Carel ter Linden heb ik vier boekjes in mijn boekenkast. Twee bundels met preken, die ik graag herlees, een boekje over rouwverwerking:“Een land waar je de weg niet kent” en een boekje over Bijbelse beelden “Wandelen over het water”. De titel van dit boekje roept de vraag al op. Kan dat, wandelen over het water? Nee, dat kan niet, is het antwoord van Ter Linden. Jezus heeft geen wonderen gedaan, hij heeft althans niets gedaan waarbij de wetten van de natuur doorbroken werden. De Bijbel vertelt verhalen,de verhalen kun je niet als een beschrijving van een feitelijke toedracht beschouwen. Bijbelverhalen zijn meer dan geschiedenis, het gaat om beelden. De verhalen zijn niet waargebeurd maar wel waar: ze roepen herkenning op, we komen er zelf in voor.  
Over de betekenis van Jezus schrijft Ter Linden: “Jezus was niet God, maar in hem zien wij God”. Mensen zijn naar Gods beeld geschapen en Jezus is het beeld, de Mens. Maar dan is de volgende vraag: wie is God dan? God is in de Bijbel een geestelijke werkelijkheid. Maar God moet het hier op aarde wel hebben van zijn grondpersoneel: “Het ons omringende geheim is een geestelijke werkelijkheid, een geestelijke kracht, die niet op eigen kracht iets doet of op eigen kracht iets kan, maar die – als het om menselijk leven en de toekomst van de wereld gaat – het moet hebben van de belichaming daarvan door mensen. God is evenzeer aangewezen op de mens als de mens aangewezen is op God.” (40)
Heel mooi beschrijft Ter Linden de betekenis van Jezus. Die moeten we niet beperken tot zijn dood, “hij kwam niet om te sterven, maar om te leven, zij het dat hij door de wijze waarop hij leefde wel in conflict moest komen met zijn omgeving en daarmee dit einde over zich afriep.” (112)
Ook de opstanding is een beeld: “Christus is opgestaan is een getuigenis tegen alle wanhoop aan de zin van het leven of van deze wereld in. Het is een strijdbaar getuigenis voor mensen die het met de moed der hoop wagen op te komen voor het recht en de humaniteit, die de strijd tegen onrecht en onderdrukking aangaan en weigeren te geloven dat die laatste het zullen winnen.” (131)  

Ter Linden pleit voor een ander denken over een leven na de dood. Het gaat niet om een nieuwe existentie voor de mens in een andere dimensie dat die van dit leven, maar om iets anders. “Dat is uiteindelijk wat een mens (...) hopen moet, dat zijn leven met al zijn zwakheden en domheden maar ook met zijn zorg en trouw om mensen, iets betekend mag hebben voor God”. Voor mij is dat wel wat weinig. Want als God alleen een beeld is, hoe kan ik dan iets betekenen voor God? Is alles dan niet teruggebracht tot de mens en zijn verbeelding?

De manier waarop Ter Linden de beeldtaal van de Bijbel uitlegt en verklaart is heel inspirerend. Maar mijn vraagt blijft: is alles dan een beeld? Is God ook een beeld? Ter Linden roept ook zelf die vraag op. Hoe weten wij dat de beelden die wij ons van God vormen ergens op slaan? Zijn antwoord: “ik hoop het en ik denk het.” (35) ‘tIs alles een gelijkenis van meer dan aards geheimenis, dicht Jan Wit in gezang 479. God is het diepste en laatste geheim, schrijft Ter Linden. En dat blijft zo.
ds. Juup van Werkhoven-Romeijn    

Mechteld Jansen

Al een tijdje geleden kocht ik een boekje met de intrigerende titel “Wie zijn ‘wij’ dan?” Het boekje gaat over “erkenning en verbondenheid tussen mensen die alles, bijna niets, een beetje of heel veel geloven”. De auteur is Prof. dr. Mechteld Jansen, missioloog, bijzonder hoogleraar aan de Protestantse Theologische Universiteit Utrecht en onderzoeker aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Het boekje gaat over wat mensen verbindt, over sociale cohesie. ‘Wij’, dat zijn mensen met een wil tot samenleven. Wanneer kun je spreken van een ‘wij’? En hoe kun je een ‘wij’ gevoel creeëren zonder dat je andere mensen uitsluit? Het is een persoonlijke zoektocht, dit boekje. Jansen nam ooit “een besluit om ‘mijn’ God te laten aanvullen, corrigeren en interrumperen door de God van anderen” (10). Zij mist stemmen in de kerk die niet gehoord worden.
Haar zoektocht is vooral een zoektocht naar verbinding met mensen die al of niet geloven. Maar verbondenheid tussen mensen is niet alleen gestoeld op geloof. Mensen verbinden zich op allerlei terreinen, in een sport vereniging, politieke partij etc. Als je op zoek bent naar een ‘wij’ moet je dan niet veeleer daar kijken? Maar het verschil tussen deze ‘lichte’ gemeenschappen en de kerk is dat het daar steeds maar om één aspect gaat, of om een bepaalde tijd. Leden van ‘lichte’ gemeenschappen bevestigen elkaar in wat zij al zijn. Ze worden niet bevraagd of uitgedaagd. Één van de bestaansredenen voor de kerk lijkt haar nu juist te zijn dat mensen leren omgaan met verschillen die allergische reacties oproepen. In alle andere delen van de samenleving kun je die vaak uit de weg gaan, in de kerk niet (63).
Voor Jansen is verbondenheid niet hetzelfde als eenheid. Het gaat wel om sociale cohesie, maar die leeft van verschillen. Verbondenheid zoeken is ook niet hetzelfde als het zoeken naar een nationale identiteit. De vraag naar identiteit is ook altijd een vraag naar dat wat je onderscheidt van de ander. Jansen is op zoek naar een derde weg. Niet iedere groep zijn eigen godsbeeld en ook geen zoektocht naar een universeel geloof.
Jansen voert een pleidooi voor wat zij ‘veelbeelding’ noemt. Daarbij haakt zij aan bij het Bijbelse beeldverbod: we mogen God en elkaar niet vastleggen op beelden die we hebben. De vraag is dan wel of je aan alle beelden dezelfde waarde kan toekennen. Laat veelbeelding alles toe? De grens ligt wat Jansen betreft bij godsbeelden die geen heilzaam geloof generen. Godsbeelden bijvoorbeeld die mensen beletten om genereus te zijn of die de dood verheerlijken. Ik heb daar wel een vraag bij, want aan wie komt het oordeel toe om te bepalen wat een heilzaam geloof is?
Een andere vraag is of veelbeelding het (eigen, christelijk) geloof niet te veel relativeert? Hoe zit het met de waarheid? Is de taak van een missioloog niet juist om mensen te overtuigen van het feit dat het Christendom gelijk heeft? Jansen ziet de taak van de missioloog als die van een tolk. Ze sluit aan bij het raadsel van de veelheid van talen. Er is niet één taal. Kerken en religies zullen moeten inzien dat hun spreken over God slechts één van de talen is. Erkenning is belangrijk, “het geloof van de ander is het huis waarin de ander zich veilig voelt.”
Niet iedereen heeft overigens zo’n vast beeld van God, mensen vermijden om te worden vastgelegd. Ze willen geen commitments aangaan. Ze houden alle opties open. Wanneer we geen enkele uitspraak over God of tot God meer durven doen uit angst om God, onszelf en de wereld om ons heen vast te leggen dan vervaagt het beeld van God. Dat is nu net wat Jansen niet wil. Het andere uiterste is dat je je eigen beeld van God zo absoluut stelt dat je een duidelijke grens trekt. Die grens kun je bewaken met een geloofsbelijdenis: “ Geloof jij wel in...”.
De derde weg, de weg van de veelbeelding, nodigt uit tot grensoverschrijding. Veelbeelding is niet hetzefde als ieder zijn eigen beeld. Veelbeelding veronderstelt je inleven in beelden van anderen. Het brengt met zich mee dat beelden van God en mens gerelativeerd, bekritiseerd en aangevuld worden.
Ik vind de vergelijking die Jansen maakt met taal en vertalen mooi. Verbinding veronderstelt dat je je eigen ideeën vertaalt naar die van een ander en andersom. Zelfs al is de taal relatief bekend zoals voor Nederlanders de Engelse taal, dan nog maak je regelmatig staaltjes mee van “krommunikasie”. Als het gaat om verschillen in de maatschappij, culturele verschillen, religieuze verschillen dan vereist dat nog meer vertaalslagen. Je kunt de moed opgeven en je eigen taal blijven spreken, je eigen religie als zaligmakend verklaren, dan zit ieder in zijn eigen-gelijk-hokje of je kunt de uitdaging aangaan om samen te leven en verbindingen te zoeken door te blijven vertalen.
Het boekje heeft me aan het denken gezet. De gedachtengang van Jansen vind ik niet altijd helder, het is meer een collage van inzichten, maar wel van mooie inzichten . Zoals dit inzicht: “Als je iets nieuws wilt zeggen of een nieuw ontdekte werkelijkheid wilt tonen dan moet je de grenzen van de taal opzoeken en een beetje oprekken. De kunst is het om het onbekende met behulp van het bekende te laten zien.“
ds. Juup  van Werkhoven-Romeijn

Timothy Keller

Tim KellerOp zoek naar een geschikte cursus om mijn studieverlof in te vullen kwam ik de naam van Tim Keller tegen, predikant in de Redeemer Presbyterian Church in Manhattan New York. Zo’n 5.000 mensen komen op zondagmorgen hun bed uit om naar zijn diensten te gaan en inmiddels zijn er meerdere dochter gemeenten gesticht. De cursus op Hydepark beloofde mij het geheim achter het  missionaire élan van Keller te onthullen. U begrijpt, dat ik zeer geïnteresseerd ben “hoe hij dat doet”. Ook ik ben immers predikant van een city church, maar het gemiddeld kerkbezoek in de Nederlandse Kerk is 25 en geen 5.000! Er was ook een andere cursus die mijn aandacht trok: “Poëzie en kerk”...
Ik besloot mij eerst maar eens  te verdiepen in Keller. Ik kocht en las zijn boek: “The reason for God, belief in an age of scepticism”. Het boek bestaat uit twee delen. In het eerste deel gaat Keller in op de belangrijkste argumenten tegen het christelijk geloof. Het zijn argumenten waarmee Keller in gesprekken met twijfelaars werd geconfronteerd. Bijvoorbeeld: Het kan toch niet waar zijn dat er maar één ware godsdienst is? Hoe kan een God die liefde is mensen naar de hel sturen? Hoe kun je wetenschap en geloof met elkaar verenigen? In het tweede deel noemt Keller een aantal redenen om wel te geloven.

Als een veel genoemd argument tegen geloof noemt Keller “How could a good God allow suffering”. Veel mensen weigeren te geloven in een God die het lijden toelaat. Als God goed is waarom doet God dan niets aan het kwaad en het lijden? Kan Hij het niet of wil Hij het niet? Keller geeft een helder antwoord. Zijn redenering is als volgt. Mensen gaan er vanuit dat God niet tegelijkertijd almachtig en goed kan zijn. De achterliggende vooronderstelling is dat wij denken dat het kwaad geen zin heeft omdat wij die zin niet zien. Maar het zou kunnen, aldus Keller, dat vanuit het standpunt van God er wel goede redenen zijn voor het kwaad en het lijden. Ons dilemma is in elk geval geen bewijs dat God niet bestaat. Maar het is wel een probleem voor de gelovige. Wij vinden dat mensen niet zouden moeten lijden. Dat het kwaad niet zou moeten bestaan en onrecht ook niet. Volgens Keller duidt dit op een verborgen geloof, want eigenlijk ga je dan wel uit van het goede om de ellende, het kwaad en het lijden aan af te meten. Zo geeft Keller haarscherp aan dat degene die niet in God gelooft ook een geloof heeft, zij het een ander geloof. Het christelijk geloof heeft volgens Keller overigens wel een overtuigend antwoord op het probleem van het kwaad. Dat antwoord is het kruis en de opstanding. Het kruis is voor Keller het bewijs dat God ook in ons grootste lijden met ons is. En het geloof in de opstanding geeft troost en hoop.

In deel 2 geeft Keller redenen om wel te geloven. Het hoofdstuk over “the clues for God”, aanwijzingen voor het bestaan van God, vind ik overtuigend. Hij gaat ondermeer in discussie met evolutiebiologen die menen dat wij uitsluitend door ons brein worden geregeerd. Wat wij denken en voelen over moraal, liefde, schoonheid, geloof, is het product van biochemische processen in onze hersenen. Dat wij geloven in God zou te maken hebben met het feit dat geloof een nuttige eigenschap was om te overleven en daarom is geloof nu ingebakken in onze hersenen. Keller vraagt zich af waarom we niet op ons brein mogen vertrouwen als het gaat om liefde en schoonheid en geloof, maar wel als het gaat om de inzichten van de evolutiebiologen?

Keller maakt gebruik van literatuur, verhalen uit films, poëzie, teksten van filosofen en theologen om zijn argumenten kracht bij te zetten. De vorm is modern maar de inhoud van de boodschap van Keller is niet verrassend, die is namelijk zeer orthodox: Jezus is God, de Bijbel is onfeilbaar, Jezus is voor onze zonden aan het kruis gestorven, Jezus is de enige weg tot God, het christendom is de waarheid, zonder het christelijk geloof is er eigenlijk weinig hoop. Maar verrassend is wel dat Keller met deze orthodoxe boodschap zoveel mensen trekt!
Keller geeft veel argumenten en hij komt overtuigend over. Het is allemaal zo logisch en zo sluitend, er lijkt geen speld tussen te krijgen en daar heb ik een probleem. Geen spoortje van twijfel, hoe weet die man alles zo zeker? Waar blijft het besef van verwondering, van God die groter is dan mijn hart, maar ook dan mijn brein, mijn verstand? In mijn hoofd blijft het gesprek met Keller nog even doorgaan. Hoe dat gesprek gaat, kan ik niet beter onder woorden brengen dan met het gedicht van Heytze, dat u hiernaast aantreft. Ik heb uiteindelijke gekozen voor de cursus Poëzie en Kerk.
ds. Juup van Werkhoven-Romeijn

Woorden van de allesvrezer
Dus! Want! En! Maar!


Het arrogantste woord
is dus. Dus weet
dat twijfels niet meer hoeven.
Het redelijkste woord
is want. Want geeft van alles
de reden aan.
Het Plakkerigste woord
is en. En lijmt
de dingen aan elkaar.
Het gemeenste woord
is maar. Maar zet alles weer
op losse schroeven.

Ingmar Heytze


 

Jezus van Nazareth

De letter “i” is deze maand aan de beurt. De Griekse naam van Jezus VIhsou/j begint met een “i”, vandaar  deze keuze. Was Jezus een theoloog? Een theoloog is iemand die over God spreekt en dat heeft Jezus zeker gedaan. Bovendien wordt hij door zijn leerlingen rabbi, meester, genoemd. Het enige probleem is alleen dat hij ons geen geschreven werk heeft nagelaten. Zijn woorden zijn mondeling overgeleverd en opgetekend door de evangelisten. In dit nummer van Kerknieuws waarin “Licht” centraal staat kies ik voor woorden van Jezus over licht. Het zijn woorden uit de Bergrede van jezus, overgeleverd door Mattheus.
Jullie zijn het licht in de wereld.
Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven.
Men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel. (Mattheus 5, 14-16)

ds. Juup van Werkhoven-Romeijn


U bevindt zich hier: Home