Markante personen

Adriaan van Haemstede
Samuel Baart de la Faille
Jan van Dorp
Jan à Lasco
Jan Utenhove
Jurriaan ten Doesschate
Martin Micron

Adriaan van Haemstede
Omstreeks 1525 werd Adriaan van Haemstede in Zierikzee geboren. Hij zou afstammen van de graven van Holland. Na een studie in Leuven wordt hij in 1556 predikant in Oost- Friesland. Daarna gaat hij naar Antwerpen, waar hij 2000 mensen zou hebben gevormd. Het is aannemelijk dat hij daar de Geschiedenis van de Belgische martelaren heeft geschreven die in 1559 werd gedrukt en vele herdrukken beleefde. Op verzoek van vooraanstaande burgers, bang voor vervolging, had hij aan huis over het evangelie gesproken. De kerkenraad, hierin niet gekend, vreesde verwaarlozing van de gewone gemeente en vond dat deze personen de kerkdienst hoorden bij te wonen. Van Haemstede gaf niet toe o.a. omdat deze groep zwaarder getroffen zou worden bij verbeurdverklaring van hun goederen.

Als er een prijs op zijn hoofd wordt gesteld vlucht hij in 1558 naar Aken. Dat hij geen volbloed Calvinist was blijkt uit de belijdenis die hij daar opstelt, die steunde op Melanchton en Zwingli. Sommigen ontdekken er ook sympathie met de dopersen in.

Toen koningin Elizabeth op de troon kwam in Engeland ging hij begin 1559 daarheen als eerste predikant op verzoek van enige Zuid-Nederlanders maar zonder officiële opdracht. Hij begint met huisdiensten en weet een kerkgebouw te organiseren. Wanneer later Wouter Delenus en Utenhove arriveren en de teruggave van Austin Friars plaatsvindt, wordt ook Van Haemstede als predikant verkozen. Kort daarna besluit de koningin dat de wederdopers het land uit moeten, waarop Van Haemstede het voor de rustige aanhangers van Menno Simons opneemt (maar niet voor de revolutionairen). De kerkenraad, die de pas verkregen toestemming van de koningin niet wilde verspelen, zat klem toen er een klacht binnenkwam dat Van Haemstede vergaderd had met wederdopers. Hij erkende dat hij hen uit broederlijke gezindheid had geholpen, omdat ze ook christenen waren, al deelde hij hun mening niet. Hij weigerde hen te verketteren en drong aan op soepelheid omdat de verschillen niet groot genoeg waren om hun de zaligheid te ontzeggen. Toen kwam ook naar voren dat hij niet voor de kinderdoop was en vond dat dit en de maagdelijke geboorte niet tot de hoofdpunten van het geloof behoorden. Dit alles leidde tot een felle tegenstelling met de gehele rest van de kerkenraad. Van Haemstede weigert te komen nadat hij officieel is opgeroepen voor een gesprek. Als hij uiteindelijk toch komt is hij stug en zegt weinig. Aangesproken op zijn afwezigheid bij vele kerkenraadsvergaderingen werpt hij een handvol geld op tafel; er stond een boete op afwezigheid. Mede door zijn eigengereide gedrag escaleert het conflict en wordt Van Haemstede geschorst. De kerkenraad schakelde het overlegorgaan van de buitenlandse kerken in maar Van Haemstede wilde noch het gezag van de Nederlandse kerkenraad, noch dat van de Franse kerk erkennen en beriep zich op de bisschop van Londen. In diens gezelschap nam Van Haemstede een verzoenende houding aan. Hij wilde echter alleen schuld bekennen als hij in een openbaar dispuut van zijn ongelijk zou worden overtuigd (en hij was welbespraakt), maar dat werd geweigerd. Op 17 november 1560 werd hij door de bisschop van Londen geëxcommuniceerd en moest hij binnen een maand het land verlaten.

De boot waarmee hij, zijn zwangere vrouw en drie kinderen in december vertrokken leed schipbreuk bij Hoek van Holland. Een strandvonder trof hen en goederen op het strand aan; ze zeiden dat ze op weg naar Emden waren. Het hoofd van de strandvonders kwam pas vele uren later en toen waren ze al gevlucht. De volgende dag bleek uit de papieren over wie het ging en dat de boeken van reformatoren waren. Een opsporingsbevel werd uitgevaardigd maar Van Haemstede bereikte begin februari Emden. Daar baarde zijn vrouw een drieling waarvan er één stierf. Van Haemstede werd predikant in Oldersum, Oost-Friesland.
Toen hij in 1562 hoorde dat de opinie in Londen veranderd zou zijn vertrok hij. Weliswaar had hij in Emden ruzie gekregen, maar hem was toch een brief meegegeven voor de predikanten van Austin Friars. Hij opende deze en maakte de inhoud openbaar bij aankomst in Engeland, voordat hij de brief overhandigde. Hij bezocht toen ook een kerkdienst in Austin Friars. Hij weigerde echter een acte van herroeping te tekenen en werd toen opnieuw geëxcommuniceerd. Hij vertrok op 19 augustus en overleed kort daarna in Oost- Friesland. Hoewel Van Haemstede geen steun vond bij de kerkenraad, kreeg hij deze wel van de gemeente. Velen meenden dat hij te streng was behandeld en dat de vrijheid van het woord in het gedrang was gekomen. Zijn overlijden maakte een martelaar van hem. In totaal spraken 31 leden zich openlijk uit tegen het beleid van de kerkenraad onder wie vluchtelingen voor ketterprocedures en welgestelden (uit Antwerpen?), maar het aantal sympathisanten was vast en zeker groter. Deze groep schreef brieven naar Antwerpen en Emden. De kerkenraad was zeer ongelukkig over dit alles. Uiteindelijk werden tien leden geëxcommuniceerd omdat ze weigerden toe te geven dat Van Haemstede dwaalde. Sommigen vertrokken naar de Engelse kerk. Jaren later is de nasleep hiervan nog te merken. In de loop van de tijd verzoenden verscheidene leden (sommigen op hun sterfbed) zich weer met de Nederlandse Kerk. De gevolgen van dit conflict, en enige andere van minder belang, waren hoogst ongelukkig. De kerkenraad spendeerde een groot deel van zijn tijd aan pogingen tot verzoening. Die tijd kon niet besteed worden aan de vele gemeenten in de Lage Landen die dringend hulp nodig hadden. Bovendien was het gezag van Austin Friars geschaad, zodat er waarschijnlijk minder vaak raad werd gevraagd. De persoon van Van Haemstede heeft bijgedragen aan het bittere verloop. Wij zijn geneigd te denken dat er weinig tolerantie was, maar dan onderschatten we mischien de felheid van de verschillen in geloofszaken tegen de achtergrond van vervolging en vergeten de zwakke positie van de kerkenraad ten opzichte van de Engelse overheid. Gelukkig is het in later jaren in Austin Friars belangrijker geworden te letten op wat verbindt dan op wat ons scheidt.

Top

Samuel Baart de la Faille door Kees Knook
Misschien bent u wat afgeschrikt door de droevige verhalen over de vorige personen. Toen ik hieraan begon had ik me niet gerealiseerd hoe onzeker hun levens verliepen en met welke tegenslagen, maar ook niet hoeveel zij voor hun geloof over hadden. Met de komende verhalen (ik ben wat beperkt in mijn keuze omdat er meestal geen biografie bestaat) komen we in kalmer vaarwater. Ds. Baart de la Faille is bekend door het boek dat zijn vrouw in 1933 schreef: Herinneringen, 28 jaar pastorie te Londen (1901- 1928). In onze bibliotheek hebben we twee romans van haar en een gedichtenbundel.

Na drie en een half jaar in Noord-Holland gestaan te hebben, werd hij begin 1901 uitgenodigd om op beroep te komen preken in Londen; een verblijf van tien dagen met zijn vrouw. Na aankomst gingen ze met een koetsje naar hun hotel, in rouw gedompeld vanwege het overlijden van koningin Victoria. Met de paardenbus zagen ze al iets van de stad (de enige ondergrondse lijn liep van Bank tot Shepherd’s Bush). De nieuwe koster Rus (hij vierde in 1950 zijn 50-jarig jubileum) suggereerde een toga voor de dienst, maar ds. Baart de la Faille verkoos zijn geklede jas. Hij wijdde enige woorden aan het overlijden van de koningin die, voor de pers vertaald, maandag in de kranten verschenen. Zijn vrouw zag veel lege plaatsen. Ook later telde ze kerkgangers, maar toen woog ze deze ook. De tweede dienst werd gevolgd door bedeling aan de oudjes in aanwezigheid van een politieagent i.v.m. mogelijke onaangename incidenten!

In juni deed hij zijn intrede in een overvolle dienst met meer Nederlandse kolonie dan gemeente, gevolgd door een kerkenraadsdiner in het Savoy Hotel met dames in avondtoilet. Al dadelijk begon de aanpassing: aardappels met een mes snijden, dessert met vork en lepel eten. Voor een cadeau voor hun dochtertje, gegeven met de woorden:”It is only a trifle” bedankte mevrouw Baart de la Faille met: “Thank you for the trifle”! Sympathie voor de Boeren – de Boerenoorlog was nog niet afgelopen – viel heel slecht, want alle kerkenraadsleden hadden Engelse vrouwen (niet vergeten dat hij gast was in dit land). ‘s Avonds na 6 uur waren er in Austin Friars alleen werkvrouwen met zwarte hoeden. De koster woonde naast de kerk, de pastorie was in Blackheath bij de hofjes. Ds. Baart de la Faille heeft vele initiatieven genomen, ook op sociaal en cultureel gebied. Sommige lukten niet, andere waren een blijvend succes. Bij alle activiteiten waren er twee problemen: afstand en taal; later noemt zij ook de wisselende bevolking. Hij begon met huisbezoek. Nadat hij de koster gepolst had over adressen (alleen bewoners van de hofjes en door de diaconie ondersteunden) vroeg hij van de kansel opgave voor huisbezoek. Bij het bezoek van koningin Emma in 1910 vroeg deze hoe hij huisbezoek deed. Hij antwoordde dat de kerkenraad soms de taxi betaalde. Zij schonk toen een belangrijk bedrag daarvoor. Tijdens het huisbezoek ontdekte hij de noodzaak van een wijkzuster. Hij had vele bezwaren te overwinnen (moet Engelse zijn, Londen te groot, te duur enz), maar dit werd een succes. Een ervaren, Nederlandse verpleegster werd ingewerkt in de Engelse omgeving. Soms werden er zes tot zeven bezoeken per dag gebracht en ze deed ook bevallingen. Ze woonde in een flatje in de allang bestaande hofjes. Daar werden in augustus 50 kinderen van 7-14 jaar ondergebracht (twee weken jongens en twee weken meisjes) op aanwijzing van de wijkzuster. Later gebeurde dat in het vakantiehuis in Southend, waar de rest van het jaar volwassenen tot rust konden komen.

De domineesvrouw verzorgde over de hele periode een blaadje voor de kinderen om kennis van het Nederlands te bevorderen. Zondagsschool (op zaterdagmiddag) mislukte daarentegen, omdat de kinderen niet alleen naar de kerk konden komen als de Londense mist heerste. Het organiseren van bijbelkenniscursussen, religieuze of culturele lezingen of muziekavonden kwam nooit van de grond; wel stimuleerde dit het predikantsechtpaar. Er kwam een avond in de kerk voor jonge meisjes (eerst vooral dienstmeisjes) die ook eenmaal per jaar met een Jan Plezier naar buiten gingen. Later kwam er een tehuis voor werkende vrouwen met zit-slaapkamers en gemeenschappelijke ruimten.

Het wekt geen verbazing dat ds. Baart de la Faille in 1907 oververmoeid raakte, hij was niet sterk van gezondheid. Hij leerde toen nee te zeggen en er kwam een centraal comité om alle activiteiten te bundelen. Bovendien overleed hun enige dochter. Later hadden ze twee pleegkinderen. De oorlog van 1914 -1918 bracht grote veranderingen. Velen vertrokken naar Nederland, vooral jongeren. Gastpredikanten voor de vier vrijbeurten per jaar konden niet meer overkomen, zodat muzikale diensten zonder preek de predikant moesten ontlasten. Sommige activiteiten gingen door, maar op een laag pitje. De predikant werd, als publiek persoon, gecontroleerd, zijn telegrammen werden gelezen en hun huis werd speciaal geïnspecteerd op verduistering (Zeppelin raids). Huisbezoek aan Nederlanders met Duitsers getrouwd was verdacht, vooral als ze (post)duiven hielden. Op straat werd hij – hij was toen midden veertig – soms uitgescholden: ”Shinker, you ought to be at the front!” Op vakantie in Schotland wilden de andere hotelgasten de identiteitskaart zien van die Duitse dominee, anders zouden ze vertrekken. De pacifistische predikant werd geconfronteerd met kerkenraadsleden die zonen in de loopgraven hadden en die soms sneuvelden. Hij moest met de consul-generaal naar de Tower om twee Nederlanders bij te staan voordat ze werden gefusilleerd vanwege spionage.

Natuurlijk waren er bijzondere gebeurtenissen, zoals de geboorte van prinses Juliana, het overlijden van koning Edward VII , de kroning van George V en het 25-jarige jubileum van koningin Wilhelmina (het haar aangeboden schilderij hangt in de bibliotheek). In 1928 had hij niet meer voldoende energie en ging met emeritaat: hij werd zeer gewaardeerd. Wat opvalt is dat er nog zoveel overeenstemming is met de huidige toestand in onze kerk.

Top

Jan van Dorp door Kees Knook
Levensloop
Ds. Baart de la Faille werd in 1929 opgevolgd door ds. Jan van Dorp uit Enschede. Hij was 41 jaar oud toen hij de 49ste predikant van Austin Friars werd (ds. Ten Napel is de 57ste ). Hij werd bevestigd door ds. Lindeboom, later professor Lindeboom. Niet lang na zijn intrede begon de economische recessie die maakte dat veel initiatieven van zijn voorganger niet meer betaald konden worden of niet meer relevant waren; zo liep het aantal dienstmeisjes drastisch terug.

Oorlogsdominee
Zijn periode is vooral gekenmerkt door de oorlog. Hij schreef daarover een boek: Het licht achter de muur, dat in 1946 verscheen. Hieruit licht ik een aantal passages, waarbij ik die over de doop van prinses Irene en de verwoesting van de kerk oversla, omdat die al bij de geschiedenis van Austin Friars aan de orde zijn geweest. Vlak voordat de oorlog was uitgebroken werden in augustus 1939 de 24 ouden van dagen uit de Hofjes in Charlton geëvacueerd omdat deze niet ver van Greenwich lagen. In de eerste wereldoorlog hadden daar al luchtaanvallen plaatsgevonden waardoor de bewoners toen van streek raakten en met cognac werden bijgebracht. Er vielen echter steeds meer mensen flauw totdat de dokter in plaats van cognac een bitter drankje voorschreef tegen het gevolg van luchtaanvallen. De evacués konden in Libury Hall van de Society of Friends of Foreigners in Distress in Munden bij Ware in Hertfordshire worden ondergebracht, omdat dat een tehuis voor buitenlanders was en er veel Duitsers gerepatrieerd waren. Ze vonden het gezelliger want er waren meer gemeenschappelijke ruimten. De laatste Nederlandse bewoner – er waren sinds het begin nieuwe bijgekomen – overleed in 1952.

Op zaterdagochtend 18 november 1939 liep het Nederlandse schip Simon Bolivar (132 bemanningsleden en 256 passagiers) op een mijn in de monding van de Theems, gevolgd door een tweede ontploffing toen de opvarenden in de reddingsboten zaten. Ruim honderd personen kwamen om en verscheidene gewonden werden naar ziekenhuizen gebracht. Ds. Van Dorp werd om negen uur s’avonds gewaarschuwd dat de overige personen in Liverpool Street Station zouden aankomen om in het Great Eastern Hotel, daar vlakbij, opgevangen te worden. Ze arriveerden eerst tegen middernacht met pikzwarte gezichten en handen vanwege de stookolie. De 200 schipbreukelingen waren in geleende kleren of dekens gehuld. Ze kregen een maaltijd in het hotel maar toen zaten tafellakens, handdoeken, wasbakken en wc’s onder de stookolie. Het werd duidelijk dat ze niet in het hotel konden slapen. De Engelsen brachten uitkomst door goedkeuring te verlenen dat ze met ambulances naar ziekenhuizen werden vervoerd. De volgende dag, toen ds. Van Dorp hen vóór de zondagsdienst bezocht, bleek hem pas goed hoe groot en dringend de behoefte aan kleren was. Omdat alle winkels uiteraard dicht waren kreeg hij de inval dit in de dienst af te kondigen. Al spoedig werden er kleren in het hotel bezorgd, niet alleen met auto’s maar zelfs met vrachtwagens. Vele vrijwilligers sorteerden de kleren in een paar zalen van het hotel en deelden deze uit.
In Austin Friars liep het kerkbezoek terug: sommigen waren naar Nederland teruggegaan, anderen werden geëvacueerd, mannen werden in dienst geroepen en het vervoer werd steeds moeilijker. Maar na de Duitse inval kwamen er vluchtelingen, eerst uit Nederland en later uit Frankrijk. Het wantrouwen van de Engelsen tegen vreemdelingen groeide, zoals te begrijpen valt. Ze waren bang voor spionnen en voor defaitisten. Ze begrepen niet waarom Nederland gecapituleerd had voor het dreigement dat na Rotterdam andere steden zouden worden gebombardeerd. Toen de blitz in de herfst van 1940 Londen trof – en daarbij vielen veel meer doden dan in Rotterdam – riepen de bewoners van de verwoeste huizen in het East End tegen koning George VI en koningin Elizabeth die hen bezochten: “We can take it!”. Er verschenen laconieke opschriften zoals “Business as usual” bij een zwaar beschadigde winkel of bij de puinhoop van een pub: “Open all night”. Vreemdelingen werden in hun bewegingsvrijheid beperkt door spertijd, een verbod om auto te rijden, een fototoestel of landkaarten te bezitten en een regelmatige meldingsplicht bij de politie. Alle naamborden van plaatsen en wegwijzers werden verwijderd, evenals alle reclame en aanplakbiljetten waarop een plaatsnaam voorkwam. Ook op de stations verdwenen de naamborden en werden de haltes niet meer afgeroepen.

Leger- en vlootpredikant
Toen de uit Nederland gevluchte regering in mei 1940 in Austin Friars naar de kerk kwam, bood ds. Van Dorp aan de helft van zijn tijd leger- en vlootpredikant te worden. Op 6 juni werd hij benoemd. Daardoor kon hij ontheffing krijgen van de beperkingen voor vreemdelingen. Hij deed er ook nog het koopvaardijpersoneel bij; die hadden tenminste ervaring met van huis te zijn, wat voor de militairen meestal niet het geval was. Hij kon weinig doen voor de gezinnen in Nederland behalve brieven verzamelen voor distributie na de oorlog. Verder waren er vele materiële problemen en ook geestelijke. Hij schreef dat hij toen wist waarom hij in Londen stond: “…om te steunen, op te richten, te troosten en te bemoedigen”. Hij trok door het hele land tot aan Dundee en Holyhead en bezocht overal kampementen, oorlogsbodems, koopvaardijschepen en ook NSB geïnterneerden op het eiland Man. Hij moest ook mee beoordelen of dienstweigering gerechtvaardigd was. In de loop van jaren kwamen er meer leger- en vlootpredikanten uit Nederlands-Indië en Amerika, zoals ds. Mietes, die later naar Curaçao vertrok, ds. Buenk, die meeging met de Irene Brigade, ds. Sillevis Smit, later hoofd vlootpredikant en ds. Veltkamp voor de koopvaardij. Ds. Van Dorp leidde veel begrafenissen, vooral voor de luchtmacht. Daarbij was er steeds een krans uit naam van de familie thuis en er werden foto’s gemaakt van de stoet en het graf om na de oorlog aan de nabestaanden te doen toekomen.

Voor vele Nederlandse vluchtelingen in Engeland was de taal een probleem. Daarbij moeten we wel bedenken dat de generatie van mijn ouders, voorzover die een vreemde taal kende, vooral frans en duits sprak, maar dat engels duidelijk op de laatste plaats kwam. Dit werd versterkt door de Boerenoorlog in Zuid-Afrika waarbij Nederland uiteraard sympathiseerde met de Boeren. Het verhaal gaat dat Professor Gerbrandy, toen hij in Londen ministerpresident was geworden en zijn opwachting bij Churchill kwam maken, bij het binnentreden:”Goodbye” zei, Churchill zou later gezegd hebben dat dit zijn kortste onderhoud ooit was. Diegenen die al langer in Londen woonden boden aan de nieuwkomers te helpen bij het engels of de verschillen in gewoonten tussen de beide volken, maar daar is weinig gebruik van gemaakt.
Ds van Dorp ging met zijn vrouw naar de verwoeste kerk en stond daar samen met de ouderlingen ten Doesschate en van Dulken en de koster Rus op de puinhoop. Ze zagen een gat in de muur van een kantoor waardoor het licht van een lamp scheen, die op een bureau stond waarachter een secretaresse zat te tikken. Het werk ging door. Deze episode gaf aan het boek zijn titel: Het licht achter de muur.

Gemeente zonder kerkgebouw
Het verhaal hoe wij aan de noodkerk, St. Mary’s, kwamen, nadat Austin Friars in oktober 1940 in een puinhoop was veranderd, is de moeite waard. De volgende dag werd ds van Dorp, nadat eerst zijn huis was gebeld, aan de telefoon geroepen op het kantoor van Blijdenstein in Threadneedle Street waar hij met de ouderlingen van Dulken en ten Doesschate (procuratiehouder bij Blijdenstein) vergaderde. Dat was de archdeacon (een rang onder die van bisschop) Phillimore die hem vroeg of ze al wisten waar ze de kerkdiensten zouden houden. Ze hadden net beslist dat de eerste zondag de dienst in de schuilkelder van Blijdenstein zou plaatsvinden, vooral omdat de meeste gemeenteleden niet wisten dat de kerk verwoest was; zoiets werd niet gepubliceerd om de vijand geen inlichtingen te geven. Hij bood hun zonder kosten St. Mary’s aan in Bourdon Street, dat leeg stond en alleen schoongemaakt hoefde te worden. Begin 1939 was er in Londen een bijeenkomst belegd door de Hugo Grotius Society als een laatste poging om de vrede te redden. Men wilde toen een borstbeeld van Hugo de Groot in Austin Friars plaatsen en aan deze plechtigheid was een korte godsdienstoefening verbonden, waarvoor Phillimore, voorzitter van dit gezelschap, zijn zoon aanbeval. Deze was zeer vereerd toen hij werd uitgenodigd. Hij had ook op 10 mei 1940 zijn deelneming betuigd.

Ook van andere kanten kwam veel praktische hulp. Het Brits en Buitenlands Bijbelgenootschap drukte gratis 50.000 nederlandse bijbels en 100.000 exemplaren van het Nieuwe Testament, die bestemd waren voor Austin Friars, de strijdkrachten, koopvaardijpersoneel, maar ook om in bevrijd Nederland te worden verspreid. Ds van Dorp vertelt niet hoe hij aan orgelmuziek en catechisatie materiaal kwam, maar wel dat van de gezangboeken een overdruk werd gemaakt omdat het Brits en Buitenlands Bijbelgenootschap volgens zijn statuten alleen bijbels mochten drukken. Met Kerstmis 1939 hield ds van Dorp zijn eerste radiotoespraak tot nederlandse luisteraars voor de BBC. Hij had zijn tekst en een engelse vertaling daarvan moeten inleveren. Hij sprak in aanwezigheid van een censor die hem een compliment gaf voor de timing maar vroeg welk woord hij had toegevoegd na “mannen en vrouwen”. Dat was “kinderen”. Hij kreeg een waarschuwing nooit iets te veranderen in een door de censuur goedgekeurde tekst: “there is a war on, you know”.Zelfs voor de toespraken van koningin Wilhelmina voor de radio werd een engelse vertaling vereist. Later sprak hij vaak voor radio Oranje, ook bij bijzondere gelegenheden als de verwoesting van de kerk, koninklijke verjaardagen en 10 mei herdenkingen op de puinhoop van Austin Friars. Dan werd hij ook soms gevraagd voor een uitzending van de BBC naar Zuid-Afrika. Op den duur werden de radiotoespraken gehouden door alle leger-en vlootpredikanten en aalmoezeniers. Hij vond het moeilijk zich in te leven in de omstandigheden van zijn gehoor, omdat het in Londen wemelde van de geruchten waarvan het waarheidsgehalte niet te controleren viel. Hij wilde vooral voorkomen dat er op gereageerd zou worden in de trant van: hij heeft goed praten, hij zit daar veilig en heeft eten en drinken. Op Dolle dinsdag 5 september 1944 (3 september was Brussel bevrijd en de dag daarna Antwerpen)gingen in Nederland de geruchten, mede omdat sommige duitse eenheden vertrokken, dat de geallieerden al waren opgerukt tot Breda, Den Haag of zelfs Amsterdam. Ook in Londen speelde dat. Er werden 500 liturgieën gedrukt voor een dankdienst op 10 september 1944. Eind november gaat ds van Dorp naar Brussel en vandaar naar Eindhoven waar zijn broer woonde. Het dienstmeisje diende hem aan als een hoge, Engelse officier (hij was kolonel).

Wederopbouw
In december hield hij voor radio Herrijzend Nederland in Eindhoven zijn eerste dienst in bevrijd gebied. Later, als hij meer hoort over de toestand in het westen tijdens de hongerwinter, wendt hij zich tot prinses Juliana die uit Canada was overgekomen omdat de bevrijding nabij leek.Als presidente van het Rode Kruis gaf ze hem een introductie voor de secretaris van de commissie buitenlandse betrekkingen van de anglicaanse kerk. Dan volgt een actie die £40.000 oplevert (nu ongeveer £1,2 millioen) en vele goederen. Na de oorlog mist hij veel bekende kerkgangers; er waren maar 20 personen van voor de oorlog overgebleven. In de dienst zijn er veel passanten, militairen en ambtenaren op weg naar Indië. In 1946 besluit hij af te treden als predikant van Austin Friars om de herbouw van de kerk en de opbouw van de gemeente over te laten aan een jongere opvolger. Het volgende jaar neemt hij ontslag als leger- en vlootpredikant. Twee jaar daarna overlijdt hij in Engeland nog maar 60 jaar oud, na zeer inspannende oorlogsjaren, waarin hij zich nooit ontzag.

Top

Jan à Lasco
Levensloop

Omstreeks 1499 werd à Lasco, de latijnse versie van Laski, geboren in het stamslot van zijn familie in Lask, vlakbij Krakow in Zuid-Polen. Hij kreeg er huisonderwijs in Grieks en Latijn, dat hij vloeiend sprak en schreef, als voorbereiding op een kerkelijke loopbaan.

Zijn oom , aartsbisschop van Krakow, nam hem mee op een studiereis naar Italië in 1513. Daarna begon hij in Bologna aan een driejarige studie in theologie, betaald door zijn oom. Teruggekeerd in Polen werd hij in 1521 tot priester gewijd. Hij trad toen op als secretaris van de koning.

Vriendschap met Erasmus
Omdat de hervorming in Polen begint door te dringen, nemen de aartsbisschop en de koning maatregelen om de verspreiding van ketterse geschriften tegen te gaan. Eind 1523 ontmoet Laski Erasmus in Bazel waar hij verboden boeken leest. Een jaar later keert hij in Bazel terug en trekt bij Erasmus in als diens secretaris. Er ontstaat een vriendschap. Wanneer Erasmus in financiële problemen raakt, koopt Laski diens bibliotheek maar laat Erasmus de boeken behouden. In die tijd denkt hij, net zoals Erasmus, dat de hervorming van de Rooms-Katholieke kerk van binnen uit zal moeten gebeuren. Ook ontmoet hij daar Zwingli, die later grote invloed op hem zal uitoefenen.

In Polen groeit de weerstand tegen de reformatie. Laski’s bezoek aan Zwingli roept vragen op en hij moet van zijn oom een zuiveringseed afleggen dat hij weliswaar met toestemming verboden boeken las, maar dat hij daar niet mee instemt. Zijn oom blijkt niet in staat te zijn veel aan de misstanden in de kerk te doen.

Dan verlaat Laski Krakow en dus ook de sfeer van het hof. De bestrijding van de hervormers neemt toe, maar Laski beklaagt zich bij zijn vrienden over het gebrek aan actie tegen de misbruiken in de kerk. Hij groeit geleidelijk van de rooms-katholieke kerk af. Wanneer in 1531 zijn oom sterft, weigert hij de erfenis, zoals hij dat ook doet met die van zijn vader. In 1538 wordt hij benoemd tot aartsdeken in Warschau, maar niet lang daarna besluit hij zowel Polen als de kerk te verlaten. Persoonlijk legt hij dat uit aan de koning , die hem zelfs aanbevelingsbrieven meegeeft.

Beïnvloed door de Hervorming
In 1539 arriveert hij in Leuven in België waar de hervorming in volle gang is. Hij woont er huisdiensten bij en ontvangt verboden boeken uit Amsterdam (ingebonden in een ander boek dat niet verboden is!). Daar vindt hij ook een vrouw, Barbara en het jaar daarop wordt een dochter geboren.

Wanneer de vervolgingen beginnen vlucht hij in 1540 naar Emden in Oost-Friesland, waar meer vluchtelingen zijn. Gravin Anna biedt hem aan predikant te worden wat hij afslaat, omdat hij de landstaal niet spreekt. Begin 1543 wordt hij tot superintendent benoemd (opzichter over een kerkelijk district). Hij sNaar bovent de openbare rooms-katholieke eredienst (al werd die oogluikend toegelaten) en liet de heiligenbeelden verwijderen. Hij ontmoette als vreemdeling wel wat tegenstand.

Laski zag het als zijn taak wederdopers te bestrijden omdat deze gevaarlijk waren voor staat en kerk. Wel voert hij een gesprek met de doopsgezinde Menno Simons. Hij betreurt de verkettering door Luther van Zingli over diens avondmaalsleer maar krijgt geen bijval. Hij is voorstander van de invloed van leken (zo worden er 4 ouderlingen benoemd), voor het houden van een wekelijkse predikanten vergadering, het instellen van tucht en het testen van predikantskandidaten op hun gedrag en hun kennis o.a. van grieks en hebreeuws om de bijbel in de oorspronkelijke talen te kunnen lezen. Kinderdoop en avondmaal worden ingesteld, evenals catechisatie voor grotere kinderen door middel van een catechismus. Aan een kerkorde komt hij nog niet toe.

Op weg naar Engeland
Onder toenemende druk van Keizer Karel V (die keizer van de duitse vorsten was) om Laski en andere vluchtelingen te verjagen trekt gravin Anna in 1546 haar steun aan Laski in. Hij treedt af als superintendent maar blijft predikant. Spoedig wordt hij weer benoemd. Hij eist dan dat predikanten de wekelijkse vergadering bijwonen en dat nieuwe predikanten de kerkleer onderschrijven.

Een zoon die wordt geboren sterft na 3 maanden. Later zou hij nog 2 zonen krijgen van Barbara. Als Karel V opnieuw pressie op gravin Anna uitoefent neemt Laski de uitnodiging aan die aartsbisschop Cranmer in 1548 aan theologen van het continent richtte om te helpen de hervorming in Engeland te onderbouwen.

In Londen verblijft Laski acht maanden in Lambeth Palace bij aartsbisschop Cranmer, zij zullen vrienden worden. Daar ontmoet hij ook Utenhove, later ouderling in Austin Friars. Na een kort bezoek aan Emden om daar zijn functie formeel af te ronden, keert hij in mei 1550 naar Lambeth Palace terug. Dan benoemt koning Edward VI op voorspraak van Cranmer hem als superintendent van de vluchtelingenkerken. Hij munt uit als organisator en heeft grote invloed vooral op de Nederlands sprekende gemeente. Laski verhuist naar Bow Lane en laat zijn gezin en boeken overkomen. Hij geeft wekelijks een preek in het Latijn over het nieuwe testament. Hij slaagt er in de eisen die de bisschop van Londen aan de vreemdelingen stelt, namelijk dat ze de vertaalde anglicaanse liturgie gebruiken en geen sacramenten bedienen, te ontkrachten. Hij wordt lid van een door Edward VI ingestelde
commissie om het kerkrecht uit te werken. In augustus 1552 sterft zijn vrouw. Hij hertrouwt in 1553 en een jaar later wordt een zoon geboren, de eerste van vijf. Laski schrijft in het Latijn, door Utenhove vertaald als ‘Een kort begrip van de kerkleer,’ een opzet van de opbouw van de gemeente waarbij hem het apostolisch ideaal voor ogen staat. Later wordt het in Emden begonnen en in Londen voortgezette werk in Emden gedrukt. Dit is bedoeld als uitleg en vereist geen blinde gehoorzaamheid. Het is uitvoeriger en beschouwelijker dan de versie van Micron. Omdat er zoveel overeenkomst bestaat noemen we hier maar een beperkt aantal punten:

De zondagsdienst begon met een gezongen psalm (niet begeleid), een doorgaande bijbellezing voor niet meer dan één uur preekstof, daarna preek, gevolgd door de tien geboden en gebeden o.a. voor de kerk, de koning, de Raad van State, de City van Londen, de kerken onder het kruis (in verdrukking), voor zieken, met als slot het Onze Vader.

Voor de verkiezing van predikanten en ouderlingen (diakenen maakten geen deel uit van de kerkenraad) was er een vast- en biddag waarna de gemeente uit kandidaten kon kiezen, welke keuze dan door de kerkenraad al of niet werd bevestigd. Dit betekende veel meer invloed van leken dan Calvijn gaf, mede omdat veel Zuid- Nederlanders gewend waren als burgers de magistraten van hun stad te kiezen. De keuze geheel over te laten aan de gemeente werd niet juist geacht omdat deze licht beïnvloed was, maar verkiezing uitsluitend door de kerkenraad legt te veel macht in de handen van enkelingen.

De tucht procedure kende meer stappen en waarschuwingen dan elders gebruikelijk. Bij ontzegging van het avondmaal kon men toch de kerkdiensten blijven bezoeken.

Het vertrek uit Londen en de uiteindelijke vestiging in Emden is al bij Micron beschreven. Laski heeft daar weer een positie van invloed op de vreemdelingenkerken, maar meteen eist Brussel (de Engelse koningin Mary is inmiddels getrouwd met koning Philips II van Spanje, de opvolger van Karel V) dat hij vertrekt. Gravin Anna geeft toe, maar probeert hem anoniem geld te doen toekomen, wat Laski weigert.

In april 1555 gaat hij naar Frankfort waar hij als woordvoerder van de Nederlandse vluchtelingen, sommigen van hen ook uit Engeland, optreedt. Weer ontstaan er twisten, ditmaal met Calvijn, over de sacramentsleer (meer accent op de gedachtenis) en over de predestinatie (minder strak dan bij Calvijn). Desondanks hebben Calvijn en Laski waardering voor elkaar, een uitzondering in die tijd. Calvijn droeg zijn catechismus op aan de geestelijkheid van Oost-Friesland.

In 1556 keert Laski naar Polen terug. De adel en de steden zijn protestant geworden maar de koning aarzelt. Rome begint een tegenoffensief en Laski verdedigt zich bij de koning in brieven. Intussen werkt hij aan een bijbelvertaling, een belijdenis, de tuchtprocedure en maakt veel reizen in Polen, ook om synodes bij te wonen. Op 8 januari 1560 sterft hij: ongeveer 60 jaar oud. Na Calvijn één van de grote reformatoren; Calvijn was een helderder denker en was meer gelijkmatig van temperament.

Wat een leven! Begonnen als een rijk edelman, voorbestemd om (aarts)bisschop te worden, daarna zijn land en kerk verlaten vanwege zijn geloof, vele malen verjaagd en vaak aangevallen, ook door mede-protestanten. Hij schijnt overigens niet altijd even makkelijk te zijn geweest. Door zijn grote invloed op de Londense kerk is hij ook van belang voor de Nederlandse reformatie.

Top

Jan Utenhove door Kees Knook
Levensloop
Jan Utenhove is omstreeks 1520 in Gent geboren in een gezin van vooraanstaande burgers. Hij studeert aan de universiteit van Leuven. In 1543 is hij betrokken bij de opvoering van een ketters toneelstuk. Kort daarna vlucht het gezin naar Aken, waar hij meewerkt aan het stichten van een Waalse gemeente. In 1545 wordt hij verbannen uit Zuid-Nederland en worden zijn goederen verbeurd verklaard, maar hij zou een deel hebben weten te redden. Dat jaar vertrekt hij naar Straatsburg waar hij o.a. Bucer ontmoet. Hij bestudeert daar de psalmen en komt ook in contact met Datheen en de Franse kerk. In 1548 is hij korte tijd in Canterbury, als gast van aartsbisschop Cranmer, om te helpen de Franse gemeente op te zetten, de eerste vreemdelingenkerk in dit land. Daarna keert hij terug naar het continent. In Zürich wordt hij door Hooper geïntroduceerd bij Bullinger. Hij brengt een kort bezoek aan Genève om Calvijn te spreken. Op de terugweg treft hij in Straatsburg Laski. Door zijn omgang met al deze reformatoren, met wie hij – meestal in het Latijn – een drukke correspondentie onderhoudt, wordt hij theologisch geschoold.

Weer terug in Engeland eind 1549 is hij van plan met Hooper mee te gaan naar Gloucester, waar deze bisschop wordt. Maar dan neemt hij een beroep van Austin Friars aan om ouderling te worden. Kort nadat in 1550 het Charter is verleend schrijft Utenhove een uitvoerige brief aan Calvijn, waarvan een groot gedeelte hier volgt: “Wij hebben enkele dingen verkregen, die wij niet verwacht hadden… In de eerste plaats gebruiken wij samen de kerk van de Augustijner monniken,… Het zuivere Woord mag er in verkondigd en de sacramenten bediend worden naar de instelling van Christus de Heer, zonder enige superstitie. Ook de kerkelijke tucht naar het Woord Gods is ons geoorloofd. Daarenboven – wat niet gevraagd is – wij hebben niets te doen met één der bisschoppen, zelfs niet met die van Londen, wat hen maar al te zeer tegen de borst stuit. Ja, aan hem en aan de overige bisschoppen en aartsbisschoppen van het rijk, aan de Mayor, de schepenen en de aldermen van Londen is bevolen en ten strengste geëist, dat zij zich op geen wijze met onze kerken zullen bemoeien, maar dat zij het aan ons zelf moeten overlaten op onze wijze te handelen en de zaken in te richten, ook al wijken wij in ceremonieën en kerkgebruiken af van de Anglicaanse. … De verkiezing van predikanten, ouderlingen en diakenen berust geheel bij de gemeenten maar de verkozen predikanten en ook de superintendent moeten aan de koning ter bevestiging worden voorgedragen… Het betekent voorwaar niet weinig, dat wij vrij zijn van het juk der bisschoppen en daarvoor zij de Heer geprezen tot in eeuwigheid. Amen.”

Utenhove is actief betrokken bij de liturgie van Austin Friars. Hij vertaalt psalmen om in de kerkdienst gezongen te worden; eerst 25 in 1551 en geleidelijk steeds meer. Vanaf 1551 worden deze in de kerkdienst gebruikt. Later, in 1571, wordt de psalmbewerking van Utenhove vervangen door die van Datheen. Alleen Londen en Sandwich gebruikten die toen nog niet, maar in alle andere Nederlandse gemeenten werd de versie van Datheen geprefereerd. Hij gebruikte de melodieën van Genève en Straatsburg, die gemakkelijk te zingen zouden zijn. Ook werd het Nederlands van Utenhove wat stroef gevonden. Maar de doorslag gaf dat de vele nieuwe vluchtelingen uit de Lage Landen alleen Datheens psalmen kenden. Intussen moest Utenhove na de troonsbestijging van koningin Mary vluchten naar Denemarken om uiteindelijk in Emden aan te komen. Bij het vertrek uit Engeland werd Psalm 2 gezongen. Utenhove heeft de omzwervingen van Denemarken naar Emden in detail beschreven. Vanuit Emden schrijft hij: “Ik denk niet dat onze Nederlandse natie vóór deze tijd ooit een gemeente gehad heeft waarin het woord van God zo zuiver gepreekt en de sacramenten zo oprecht uitgereikt werden als bij ons in Londen.”

In Emden liet hij in 1557 op eigen kosten het door hem uit het Grieks vertaalde Nieuwe Testament uitgeven. Dat werd een faliekante mislukking, enerzijds omdat het drukwerk niet erg goed werd uitgevoerd, maar vooral vanwege zijn Nederlands (hij was waarschijnlijk beter in het Latijn). Hij raakte hierdoor in financiële moeilijkheden. (Na zijn dood zal zijn weduwe van de kerk ondersteuning krijgen.) Later wordt deze vertaling door Dyrkinus verbeterd zodat die in 1559 deel uitmaakte van de Deux-Aesbijbel. Utenhove zal zijn hele leven blijven vertalen, vooral uit het Latijn (de publicaties van Laski), maar ook in het Latijn, namelijk om Nederlandse testamenten rechtsgeldigheid te geven voor de Engelse overheid. Ook vertaalde hij in of uit het Frans en van de in het Oost-Fries geschreven catechismus maakte hij een Nederlandse versie. In 1557 gaat Utenhove samen met Laski op weg naar Frankfort, vanwaar ze naar Polen reizen. Daar trouwt Utenhove met Anna de Grutere de Lanoy, eveneens uit Engeland naar Denemarken gevlucht. Wanneer eind 1558 koningin Mary is overleden gaat Utenhove terug naar Londen, met het Charter. Daar is al een vergeefse poging ondernomen om de kerk terug te krijgen. Utenhove zet zich hiervoor in met Petrus Delenus, de zoon van Wouter Delenus, met Micron de eerste predikanten. Petrus was toen waarschijnlijk hulpprediker.

De tweede poging slaagt, maar de functie van superintendent wordt ingenomen door de bisschop van Londen. Ondanks slechte gezondheid wordt Utenhove opnieuw tot ouderling verkozen. Daardoor waarborgde hij de continuïteit. Micron en Wouter Delenus waren al overleden en Laski stierf kort nadat koningin Elizabeth de toestemming had verleend. Dat het toezicht van de bisschop van Londen, toen Grindal, ook voordelen had bleek bij het bittere dispuut met ds. Van Haemstede. In de jaren 1563 en 1564 speelde Utenhove een cruciale rol om de handel in wollen weefsels van Antwerpen naar Emden verplaatst te krijgen. Utenhove stierf in 1565, net voor de publicatie van de door hem berijmde vertaling van alle psalmen. Hij is vast en zeker één van de meest indrukwekkende ouderlingen die Austin Friars ooit gekend heeft.

Top

Jurriaan ten Doesschate door Kees Knook
Levensloop
Jurriaan ten Doesschate werd in 1875 in Amsterdam geboren. In 1910 trouwde hij met Maria Sara Jorissen. Hij werkte toen al bij het Londense kantoor van de firma Blijdenstein (later Twentse Bank, daarna ABN), waar hij procuratiehouder werd. Zij waren beiden actief in de Nederlandse Kerk en in de Nederlandse kolonie, zoals dat toen heette. In de loop van de jaren was hij ook nog penningmeester van de Dutch Club, lid van het Nederlandse Rode Kruis en voorzitter van de Nederlandse Kamer van Koophandel.

Mevrouw ten Doesschate vervulde eveneens allerlei functies: zij was bestuurslid van de Nederlandse Vrouwen Vereniging en lid van de oprichtings commissie voor Nederlands onderwijs in Londen. Zij werd in 1919 het eerste vrouwelijke bestuurslid van het Koning Willem Fonds (een foto van haar vindt u op blz. 34 bovenaan in ‘Kerk in de City’).

In 1917 werd Ten Doesschate diaken. Dat was meteen een drukke tijd want door de oorlog waren sommige landgenoten in moeilijkheden geraakt. Die taak deed hij met hart en ziel en toen hij in 1930 gevraagd werd ouderling/trustee te worden aarzelde hij enige tijd voordat hij dat aannam en wel onder voorwaarde dat hij contact met de diaconie zou blijven houden. Natuurlijk was zijn financiële ervaring van groot nut voor de kerk.

Ten Doesschate was in regelmatige correspondentie met het hoofd van het vakantiehuis in Southend, waar ouderen tot rust konden komen en in de zomer 70-80 kinderen werden opgevangen . Er zijn aanmeldingsverzoeken bewaard gebleven. Ontroerend zijn de lijsten van de kinderen die bij het begin en het eind van hun tiendaags verblijf gewogen werden. Dat ze bijna allen aankwamen, een enkeling zelfs met zeven en een halve pond, toont aan dat dit verblijf geen luxe was. Ouders werd om een bijdrage gevraagd wanneer zij die konden betalen. In het archief bevinden zich ook vele bedankbrieven. Een keer bleek een kind difterie te hebben, de anderen werden na onderzoek naar huis gezonden, op één na die ook besmet was.

Ook was Ten Doesschate in nauw contact met mejuffrouw Van Bakel, het hoofd van de Charlton hofjes voor bejaarden. Zij was in 1914 ingevallen toen het toenmalige hoofd vanwege de oorlog naar Nederland terugging. Ik vond zelfs 20 brieven van haar in de periode van één maand. Sommige kort, bijvoorbeeld om het kasboek op te sturen ter controle of de aankomst van een cheque te melden. Andere bestaan uit drie kantjes zoals toen er hooglopende ruzie was uitgebroken tussen enkele bewoners, waarin zij intervenieerde en waarvan ze gedetailleerd verslag uitbracht.

Kort na de benoeming van Ten Doesschate tot diaken vermeldt mejuffrouw Van Bakel de details van het gebouw om duidelijk te maken hoeveel personeel er nodig is. Er waren 16 flats met elk een slaapkamer, zitkamer en keuken. Samen met de behuizing van person eelsleden en de gemeenschappelijke ruimten komt ze tot 77 vertrekken. Verder zijn er 6 trappen, 200 deuren, 160 ramen, 54 vuurhaarden, 25 schoorstenen en 90 dekens. Er is ook één kookster, één wasvrouw, één werkvrouw en vier hulpen plus het plaatsvervangende hoofd. Het hoofd betaalt de pensioenen uit en verder zijn er natuurlijk reparaties, personeelswisselingen en regelingen voor het kerstfeest inclusief een extra toelage voor de bewoners.

In augustus 1939 wordt het huis vanwege de oorlogsdreiging ontruimd. De bewoners gaan naar Libury Hall in Hertfordshire, een tehuis van de Society of Friends of Foreigners in Distress, opgericht in 1806 (vanwege de napoleontische oorlog?).

Maandelijks is er correspondentie met Ten Doesschate over de kosten die voor rekening van de Nederlandse Kerk zijn, plus een maandelijkse toelage voor de bewoners van één shilling en sixpence voor een reis naar Hertford. Verder zijn er ziekenhuiskosten en soms die van een begrafenis. De leeftijd varieert van 65-83 jaar, en het duurt nog vele jaren na de oorlog totdat er geen Nederlandse bewoners meer zijn. Ten Doesschate was ook belast met het verkrijgen van schadevergoeding voor de onteigening van het tehuis in Charlton wat eerst in de vijftiger jaren wordt geregeld.

Dit alles is nog maar een kleinigheid vergeleken met de problemen rond de herbouw van de kerk. Het is goed te bedenken dat Ten Doesschate in 1940 65 jaar werd (en met pensioen?) en toen de herbouw plannen vastere vorm begonnen aan te nemen in 1950 dus 75 (zie foto op blz. 47 van ‘Kerk in de City’).

In 1943 besluit de heer Van Dulken, toen 88 jaar oud en 62 jaar lid van de kerkenraad, geen vergaderingen meer bij te wonen. In zijn plaats wordt Ten Doesschate senior trustee en draagt de eindverantwoordelijkheid. (Van Dulken zal begin 1945 overlijden.) Het eerste punt aan de orde is de indiening van een claim voor de geleden schade aan de inboedel bij de verzekeringsmaatschappij en dat blijft nog lang op de agenda staan. In 1944 wordt een voorstel van 10 bladzijden van kerkenraadslid Nielant Pelkman betreffende de herbouw besproken. Juridisch advies en dat van de aartsbisschop wordt gevraagd over de mogelijkheid een kleinere kerk te bouwen of een kerk gecombineerd met een kantoorgebouw. Dit gebeurt ook over de vraag wat er met de overblijfselen van in de kerk begraven personen moet gebeuren. Besloten wordt dat deze zullen worden gecremeerd, wat later zal leiden tot bijzetting in de crypt. Er is zelfs sprake van dat het parlement een wet zou moeten aannemen waarin de consecratie van de grond ongedaan gemaakt wordt voordat met de ontruiming kan worden begonnen.

Wanneer Arthur Bailey als architect wordt benoemd, een Engelse architect omdat deze bekend is met de bouwvoorschriften, beginnen de zaken concreter te worden. Hij dient vrij snel een plan in voor een moderne kerk, kleiner dan de oude. Later wordt de heer Van Veen, een Nederlandse architect, aangesteld, speciaal voor het liturgisch centrum.

Ook zijn de besprekingen met de Oorlogsschade Commissie begonnen. Als gunst is ons toegestaan onder de regeling voor Engelse kerken te vallen, die inhoudt dat alle oorlogsschade aan het gebouw door de staat zal worden vergoed voorzover deze geen verbetering inhoudt. Natuurlijk worden er wijzigingen gevraagd van het eerste plan en dat blijft nog even zo doorgaan. Ook moet de City of London zijn toestemming geven. Verder zijn er problemen met de mate waarin de buren minder licht zouden krijgen – een bron van twisten in dit land – en met de herbouw van het bankgebouw op de hoek, dat Midland Bank gehuurd had van de kerk en dat eveneens verwoest was, zodat er geen huur mocht worden gevraagd. De herbouw wordt ook door de Oorlogsschade Commissie betaald, maar, totdat die voltooid is, zijn er geen inkomsten. Tenslotte vereist de voorbereiding van het herdenken van het 400-jarig bestaan in 1950 veel aandacht, met als hoogtepunt het leggen van de eerste steen door prinses Irene.

Hoog op de lijst van wensen van de kerkenraad staat de Social Hall. Gelukkig accepteert de Oorlogsschade Commissie het argument dat in de oude kerk een zijbeuk was afgeschermd voor soortgelijke doeleinden; dus is er geen sprake van verbetering. Er bestaat onzekerheid over de kostersflat boven op de kerk, waarvoor later beslist wordt dat die voor rekening van de kerk komt.

Begin 1950 wordt het ontwerp van Arthur Bailey goedgekeurd en kan met de bouw worden begonnen. Dus wordt opdracht gegeven de bouwplaats te ontruimen. De eerste tegenvaller is dat, langer dan voorzien was, gelegenheid moet worden gegeven bij de uitgraving naar oude resten te zoeken, met name die van een Romeinse nederzetting. Er is inderdaad sprake van vondsten. Een van de Romeinse munten wordt aan Ten Doesschate geschonken.

Wanneer met de werkelijke bouw wordt begonnen rijzen er nieuwe vragen. Waar moet het orgel staan? Wat voor verwarming moet er komen en met welke brandstof? Hoe moet het Westraam er uitzien?

Inmiddels is besloten dat de grond naast de kerk gebruikt wordt voor een kantoorgebouw en dat een nogal groot bedrag ineens naar de Oorlogsschade Commissie zal gaan terwijl de kerk een betrekkelijk lage huur zal ontvangen.

Dan ontstaat de eerste crisis. Eind 1951 meldt de architect dat de bouwkosten van £100,000 tot £125,000 zullen stijgen door inflatie, maar ook door meer wensen van de kerkenraad en verdere vereisten van de overheid zoals wat dieper uitgraven op last van de City Surveyor. De architect zegt dat hij elke phase pas gedetailleerd kan begroten als hij daar aan toe is; de kerkenraad wil geen blanco toestemming geven. Door wat te bezuinigen en door meer van de geschatte huuropbrengst aan de Oorlogsschade Commissie af te dragen (waardoor later de inkomsten zullen verminderen) wordt de oplossing gevonden.

Dan verandert Midland Bank van standpunt; zij komen terug op hun besluit het gebouw in de bocht van Austin Friars te huren, maar willen de freehold (blote eigendom) hebben, hoewel de onderhandelingen bijna rond waren. De kerk had in de afgelopen jaren van verschillende andere gegadigden aanbiedingen gekregen om het herstelde gebouw te huren en had dit aan de Midland Bank gemeld, die bleef zeggen dat zijzelf geïnteresseerd waren. Dus blijkt het vooroorlogse ‘my word is my bond’ niet meer zo algemeen van toepassing te zijn (vooral als de wederpartij zwak is). Gelukkig wordt er later een andere huurder gevonden, maar dit betekent onnodig extra werk en kosten.

Er zijn ook wel eens lichtpunten, zoals wanneer de firma Blijdenstein een schilderij van Edward VI aanbiedt, dat nu in de bibliotheek hangt. Het oude was verloren gegaan.

Voorts ontstaat er een crisis over het gebrek aan samenwerking tussen de twee architecten. De heer Van Veen schrijft een brief met klachten aan de kerkenraad, die terecht antwoordt dat hij dit maar eerst met Bailey moet proberen op te lossen en dat als dat niet lukt de kerkenraad zal bemiddelen.

Intussen wordt de regelmaat van de bouwvergaderingen verhoogd tot éénmaal in de twee weken. De punten die de architect inbrengt worden gedetailleerder; de plaats van de altaarsteen uit de oude kerk, de preekstoel, de verlichting enz. Omdat de Amerikaanse protestanten hun toezegging de kosten van het orgel voor hun rekening te nemen niet gestand doen, ontstaat er een nieuw probleem. Daarom wordt de Ortelius collectie verkocht, een verzameling oude brieven die niet rechtstreeks met de kerk te maken hebben. Een deviezen vergunning moet worden aangevraagd omdat het orgel uit Nederland komt.

Inmiddels blijven de kosten stijgen zodat vrijwel geheel van huur van het kantoorgebouw naast de kerk moet worden afgezien ten gunste van de Oorlogsschade Commissie. De secretaris hiervan schrijft later aan de trustees dat de Commissie zeer waardeert dat de trustees met zoveel zorg hebben gehandeld om de belangen van de Commissie niet te schaden. Aangezien de gemeente gevraagd is bij te dragen aan de inrichting van het gebouw en dus niet veel meer kan worden belast, wordt de financiële positie zorgelijk.

Aan de orde komen nu: doopvont, avondmaalstafel, knielbank en meubels voor de Social Hall. Al deze inboedel is voor rekening van de kerk. Er komen steeds meer giften binnen zoals de ramen die aangeboden worden door de Carpenters’ Company, de City of London, de Anglicaanse en de Schotse kerk. De ontwerpen daarvoor moeten worden goedgekeurd. Ook aan de verfraaiїng van de buitenkant van de kerk wordt aandacht besteed.

De ontwerpen op de bouwvergaderingen tonen aan dat de laatste fase er aan komt; keukenuitrusting, gehoorapparatuur, tekst onder het Westraam en de installatie van het orgel. Ook de voorbereiding voor de opening van het nieuwe gebouw loopt ten einde: een lijst van genodigden die aan de bouw hebben meegewerkt wordt vastgesteld (en niet alleen de hoge heren) en die aan koningin Juliana zullen worden voorgesteld als zij op zaterdag 10 juli, de dag vóór de opening, de kerk komt bezoeken.

Na de geslaagde opening is het werk natuurlijk nog niet afgelopen. Er zijn klachten over de akoestiek die moeten worden onderzocht en de gebruikelijke problemen als klemmende deuren. In 1955 wordt de laatste rekening betaald.

Een jaar later treedt Ten Doesschate af, dan 81 jaar oud, na 39 jaar kerkenraadslid te zijn geweest. Hij overlijdt ruim drie jaar daarna, begin 1960. Zijn vrouw sterft anderhalf jaar later.

Vanzelfsprekend is dat Ten Doesschate de opbouw van de kerk niet alleen heeft verricht. Hij werd vooral door zijn mede kerkenraadsleden Kouveld en Nielant Pelkman goed bijgestaan, en niet te vergeten ds. Van Apeldoorn, de bouwpastor. Maar alleen al door in de archiefpapieren te kijken ben ik onder de indruk gekomen van de enorme hoeveelheid werk die Ten Doesschate als bouw-ouderling heeft verzet, waarbij hij de eindverantwoordelijkheid droeg voor de financiële kant. Zijn benoeming tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw was dan ook echt verdiend.

Slechts zeer weinigen van u zullen hem gekend hebben. Een van zijn zoons, Sylvester, geboren in 1912, werd in 1951 organist, dus nog in de noodkerk St. Mary’s. Daaraan kwam een eind op 3 april 1992 toen hij op het orgel stierf, wat in de plaque onder het orgel is vastgelegd.

Een zeer muzikaal en bescheiden man (een foto van hem vindt u op blz. 75 van ‘Kerk in de City’). Ook zijn leven stond in dienst van de Nederlandse Kerk.

Top

Marten Micron door Kees Knook
Levensloop
Veel van de feiten betreffende Maarten Micron (Grieks voor “de kleine”) staan niet vast. Hij is geboren in 1522 of 1523, volgens de traditie in Gent. Waarschijnlijk waren zijn ouders welgesteld want hij kende Latijn en zou medicijnen gestudeerd hebben. Vanwege de toenemende kettervervolging vertrekt hij in 1547 of 1548 naar Bazel, waar hij arts zou zijn geweest.

Daar komt hij in aanraking met de Engelse puritein Hooper (later bisschop van Gloucester), die hem meeneemt naar Zürich en introduceert bij de reformator Bullinger, die zijn interesse in theologie wekt. Hij zou er in 1549 zijn getrouwd. In de loop van dat jaar gaat hij met Hooper op weg naar Engeland. Onderweg ontmoetten ze Utenhove, een Gentenaar van voorname afkomst, later ouderling in Austin Friars. In Londen gaat Micron begin 1550 voor in besloten godsdienstoefeningen voor Nederlands sprekenden.

Dat jaar werd hij één van de predikanten van Austin Friars. Hij muntte daar uit in gemeenteopbouw. In 1553, als de rooms-katholieke koningin Mary de vroeg gestorven koning Edward IV opvolgt, vluchten hij en Utenhove met 175 anderen onder leiding van à Lasco in twee schepen naar Denemarken. Ze worden daar door de lutherse hofpredikant als wederdopers en sacramentsschenners beschouwd. Micron hield, zoals toen gebruikelijk, een twistgesprek waarin hij zich scherpzinnig verdedigde, maar er niet in slaagde zijn tegenstanders te overtuigen. Ze worden door de koning het land uitgezet en mogen in het slechte weer zelfs niet tijdelijk aan wal.

In kleine schepen vertrekken ze naar Rostock, Wismar en Lübeck aan de Duitse Oostzee. Daar was de ontvangst iets minder onvriendelijk, maar niet veel beter. De lutheranen kwamen met de zelfde beschuldigingen en twistgesprekken hielpen niet. Micron’s gesprek met de doopsgezinde Menno Simons leidde ook tot niets. Toen ze allen weer samenkwamen in Hamburg werden ze evenmin geaccepteerd. Wel triest dat ze na uit rooms katholiek Nederland gevlucht te zijn, nu een soortgelijk lot moesten ondervinden van hun mede-protestanten.

Uiteindelijk vinden ze maart 1554, zes maanden na hun vertrek, een toevlucht in Emden, Oost-Friesland, dankzij gravin Anna. In de grote kerk aldaar herinnert een plaquette daaraan:

Gods Kerk, vervolgd, verdreven
Heeft God hier troost gegeven.

In mei werd Micron predikant in Norden, ten noorden van Emden. In 1559 brak daar de pest uit, maar hij bleef zieken bezoeken ook toen zijn vrouw werd besmet. Tenslotte werd hij zelf ziek en stierf op 12 september 1559, 36 of 37 jaar oud, na een kort, maar bewogen leven.

Publicaties
In de jaren 1552-1559 verzorgde Micron 11 publicaties waarvan sommige kort zijn. Daar zijn bij drie twistgesprekken, de kleine catechismus voor kinderen van 5-10 jaar (hij vond dat die voor grotere kinderen met 250 vragen en antwoorden te moeilijk was), twee publicaties over het avondmaal en geschriften over de eed, de christelijke vergaderingen en een martelaarsleven. Dit gaat over Joris Hoste van der Kateleyne, die vanuit Emden teruggegaan naar Gent om zijn zaken te regelen, daar werd gearresteerd en op de brandstapel gebracht. Ook hielp Micron Utenhove bij diens vertaling van het Nieuwe Testament. De twee belangrijkste boeken zijn zonder twijfel de Ordonnantiën en de Korte Onderzoeking van het Geloof. Omdat er van de Londense jaren geen kerkeraadsnotulen of correspondentie bewaard zijn gebleven weten wij alleen door deze boeken hoe de gemeenteopbouw verliep. De Ordonnantiën werden besproken als onderwerp in de kerkenraad en de gemeente in Londen en zijn in 1554 in Emden gedrukt. Dit is niet zozeer een kerkorde of een liturgisch handboek maar een beknopte en zakelijke beschrijving van de praktijk in Austin Friars en waar daar naar gestreefd werd. Het ontleent veel aan een door à Lasco tegelijkertijd in het Latijn geschreven boek, maar is praktischer en minder dogmatisch. Hierin worden behalve de ambten en de kerkdiensten o.a. behandeld:

Ø de sacramenten : de doop van kinderen van lidmaten in het midden van de gemeente (in de RK kerk gebeurde dat meteen na de geboorte); het avondmaal zittend aan een met linnen overdekte tafel waarbij brood en wijn werden doorgegeven. Alle leden dienen dit bij te wonen, nadat ze zich daarop hebben voorbereid door boete te doen en twisten bij te leggen.

Ø ook huwelijksinzegening en een begrafenisliturgie naar engels voorbeeld. Bij dit laatste ligt het accent op de nabestaanden.

Ø over ziekenbezoek schrijft hij dat aangezien de leden van de gemeente zeer verspreid wonen, het niet makkelijk is te weten of iemand ziek is. De afstanden mogen wel groter zijn geworden (al kwamen er toen kerkgangers uit Southwark gelopen), maar het verschil met een gewone wijkgemeente blijft hetzelfde, namelijk dat je niet vaak gemeenteleden tegenkomt in de hoofdstraat of op weg naar je werk.

Ø tenslotte ook praktische kwesties, zoals controle op het beheer en de aalmoezen.

Dit boek werd door veel gemeenten op het continent gebruikt voor 1561, toen de kerkorde van Calvijn in Genève werd gepubliceerd.

Het andere belangrijke boek, de Korte onderzoeking van het geloof is zowel geloofsbelijdenis als leerboek voor catechisanten. Dit werd eveneens in 1554 gedrukt. Beide publicaties kunnen getypeerd worden door de invloed van de reformatoren Zwingli en in mindere mate Bullinger (Zürich), Bucer (Straatsburg) en later ook Calvijn. Er wordt weinig dwingend voorgeschreven, vaak staat er zoiets als: “de predikant spreekt deze of dergelijke woorden”. Het doel was niet uniformiteit maar eenheid. Hoewel Micron geen geleerde was zoals zijn collega Delenus, geldt hij als een goed en praktisch theoloog. De inhoud van zijn boeken heeft veel bijgedragen aan het systematisch van de grond af opbouwen van de Londense gemeente.
Top

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Dutch Church in London

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten