In Focus: Selma van de Perre 

Elke twee maanden wordt voor Kerknieuws iemand geïnterviewd die op de een of andere manier betrokken is bij de Nederlandse Gemeenschap in Londen. Deze keer is Selma van de Perre geïnterviewd. Twee jaar geleden kwam haar boek ‘Mijn naam is Selma’ uit en in februari werd zij koninklijk onderscheiden. Ze werd benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

– Tijdens de oorlog zat je als Joodse jonge vrouw in het verzet onder een valse naam. Je belandde in kamp Vught en later in het vrouwenkamp Ravensbrück. Na de bevrijding vertrok je naar Londen, waar je broers woonden. Zij overleefden de oorlog, waar je ouders en zusje in een concentratiekamp werden vermoord. Hoe was die eerste tijd in Londen voor jou?

Ik werd hier in Londen opgevangen door mijn broer en mensen van de ambassade. Zij zorgden voor werk en dat ik in een boarding house kon wonen met andere Nederlandse meisjes die voor het ministerie van defensie werkten. Ik kreeg een baan bij de medische dienst en werkte in het Arlington House en daarna in Dover Street. De Nederlandse gemeenschap hier was hecht en ik werd er helemaal in opgenomen. We gingen er samen op uit in het weekend en maakten het gezellig. Maar het was ook een heel nare tijd. Ondanks alle mensen om me heen, voelde ik me heel alleen. Mensen begrepen niet wat ik had doorgemaakt. En omdat ik een rustige baan had, had ik veel tijd om na te denken en te beseffen wat ik allemaal verloren had.

Na je komst hier in Londen, leerde je je man kennen, werkte en stichtte een gezin. Lang werd er niet echt over de oorlogstijd gesproken, maar de laatste jaren is dat anders geworden. Je bent met jonge mensen op reis geweest om hen in Ravensbrück rond te leiden en je verhaal te vertellen en je schreef het boek ‘Mijn Naam is Selma’. Wat maakte dat je je verhaal nu wilde delen? En heeft alle aandacht voor je verhaal je verrast?

Ik ben op een gegeven moment gaan schilderen, dat gaf mij rust. In mijn schilderklas vertelde ik dat ik in april naar Nederland moest. ‘Wat heerlijk, geniet van de vakantie,’ was de reactie. Toen ik vertelde dat ik naar Nederland ging om een krans te leggen namens de vrouwen van Ravensbrück, bleken de anderen nauwelijks te weten wat er in Europa had plaatsgevonden in de kampen. Dat was het moment dat ik me realiseerde dat ik mijn verhaal juist hier in Engeland moest vertellen. Ook mijn neefjes spoorden mij aan om mijn verhaal op te schrijven. Eerst ging het heel langzaam. Ik was druk met mijn werk en ik kon ’s-avonds niet schrijven, want dan lag ik ’s-nachts wakker. Vanaf 2014 ben ik echt serieus aan de slag gegaan. De uitgever wilde het in eerste instantie liever in het Nederlands uitgeven. Mijn verhaal is dus eerst in het Nederlands vertaald. Ik was stomverbaasd dat mijn boek zoveel heeft losgemaakt in Nederland. Ik dacht altijd: ‘In Nederland zijn er al zoveel boeken over de oorlog geschreven’, maar het is dus toch heel goed ontvangen en gelezen. Ik krijg nog steeds brieven van mensen uit Nederland die mijn boek hebben gelezen.

Ik ben er blij om en vind het ook heel belangrijk. Ik heb de laatste 20 jaar ook lesgegeven aan Nederlandse PABO-studenten en de laatste jaren bovendien aan Duitse studenten. Zij vinden het bijzonder om het verhaal te horen van iemand die het nog vanuit eerste hand kan vertellen. En ik wil vooral jonge mensen bereiken. We moeten voorkomen dat wat er toen is gebeurd ooit weer kan gebeuren. Daar wil ik alles aan doen en dus juist ook met kinderen en jongeren praten. Zij zijn de toekomst.

– In februari werd je Ridder in de Orde van Oranje Nassau. De onderscheiding werd je uitgereikt in de Nederlandse Kerk, vanwege het werk dat je doet om jonge generaties jouw verhaal te vertellen. Wij waren blij dat we als kerk het decor mochten zijn voor deze bijzondere dag. Welke boodschap heb je voor ons als kerk in Londen?

Ik vind de Nederlandse Kerk heel belangrijk, als een ontmoetingsplek die de Nederlandse gemeenschap samenbrengt, wat je geloof ook is. De kerk moet volgens mij een plek zijn waar iedereen mag binnen lopen. En dat is het ook, dat zie je wel aan het feit dat ik als Joodse een lintje heb gekregen in een Protestantse Kerk. Het is mooi als de kerk een plek is waar je mag aankloppen ook voor geestelijke hulp. Dat is heel belangrijk en dat ontbrak wel wat na de oorlog, al had ik een vriendschappelijk contact met ds. van Dorp, dat was een aardige man.

Selma van de Perre werd geïnterviewd door Bertjan van de Lagemaat

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten